Omstreden geschiedenis in beeld.

Zowel in Nederland als in andere landen is er de afgelopen jaren veel discussie ontstaan over het plaatsen of laten staan van standbeelden van belangrijke maar ook omstreden historische personen. In de Verenigde Staten bekladden en vernielen actievoerders beelden van zuidelijke generaals en politici uit de tijd van de Amerikaanse burgeroorlog. In 2017 werd er gesproken over een ware beeldenstorm in Charlottesville. In Nederland kunnen we niet spreken van acties op een dergelijke grote schaal. Toch zijn er ook in Nederland actiegroepen die pleiten voor het verwijderen van beelden. Het gaat in Nederland vooral om beelden van personen die te maken hebben met de Nederlandse koloniale geschiedenis. Deze actiegroepen voegen regelmatig daad bij woord.  Zo bekladde in 2016 leden van de actiegroep ‘de Grauwe Eeuw’, uiteraard verwijzend naar de Gouden Eeuw, onder andere het beeld van Jan Pieterszoon Coen in Hoorn. Er werden meerdere acties aangekondigd, deze bleven echter grotendeels uit.  In de media is vanaf dit moment zeer veel discussie ontstaan hoe om te gaan met deze omstreden geschiedenis. Groepen Nederlanders komen hierdoor lijnrecht tegenover elkaar te staan, de sociale cohesie in de samenleving komt steeds verder onder druk te staan. In deze blog belichten we de meningen van de twee groepen die tegenover elkaar staan in deze discussie. Vervolgens trekken we op basis van deze standpunten een conclusie.

Een gesloopt standbeeld in Charlottesville.

Waarom moeten de beelden verdwijnen?

Wat moeten we met het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen, de gouverneur-generaal van Oost-Indië die op de Banda-eilanden 15.000 inboorlingen liet afslachten? En wat moeten we met de buste van de Johan Maurits, de naamgever van het Mauritshuis die als koloniaal heerser persoonlijk wel voer bij de slavenhandel? Voorstanders van het neerhalen van standbeelden die te maken hebben met de koloniale geschiedenis van Nederland hebben een duidelijke mening. Zo ook de grootste actiegroep, de eerder genoemde ‘Grauwe Eeuw’. De groep is tegen verheerlijking van de Gouden Eeuw. De ‘Grauwe Eeuw’ wil dat Nederland het ‘echte verhaal’ van die periode gaat vertellen. Volgens hen bestaat dat uit “landroof, grondstoffenroof en genocide” en moet het “romantiseren van massamoorden en het oppoetsen van koloniale misdaden door Nederland” stoppen.

Het bekladde beeld van Coen in Hoorn.

Natuurlijk hebben de actievoeders een punt. Er kan niet ontkent worden dat Nederland, zoals veel Europese landen, een koloniale geschiedenis kent waar veel op aan te merken is. De bevolking van onder andere Nederlands-Indië en Suriname werd uitgebuit en uitgeknepen met als doel zoveel mogelijk te verdienen en terug naar Nederland te laten vloeien. De tijd dat de Nederlanders hier de leiding hadden heeft diepe sporen achtergelaten in het landschap maar ook op zowel sociaal als economisch vlak.  Als we daar met de ogen van nu op terugkijken, we noemen dit standplaatsgebondenheid, kan het niet anders dan dat je tot de conclusie komt dat deze vorm van koloniale uitbuiting (moreel) verwerpelijk is.

Standbeelden van bijvoorbeeld J.P. Coen of van Heutsz, die beide namens Nederland een belangrijke functie hadden in Nederlands-Indië, kunnen gezien worden als eerbetoon aan en daarmee verheerlijking van deze personen. Deze persoonsverheerlijking kan vervolgens ook weer gezien worden als verheerlijking van hun daden en daarmee de daden en acties van Nederland in haar voormalig koloniën.

Waarom moeten de beelden blijven staan?

Er is ook een grote groep Nederlanders voor het behouden van de standbeelden. Zo is in 2017 bijvoorbeeld 90% van de lezers van het Historisch Nieuwsblad tegen het verwijderen van standbeelden van omstreden historische helden. Hiervoor hebben zij verschillende argumenten. Het meest gebruikte argument is deze van het behouden van de nationale geschiedenis. De beelden staan voor een persoon en periode die grote invloed heeft gehad op de ontwikkeling van Nederland. Daarnaast staan de beelden voor een periode in de geschiedenis die Nederland heeft gemaakt tot het land wat het nu is. Deze periode in de geschiedenis is niet uit te wissen en hoort bij het nationaal erfgoed en de Nederlandse cultuur. Het verwijderen van standbeelden en straatnamen zou leiden tot het verdwijnen van een omstreden deel van de geschiedenis uit ons collectieve geheugen.

Een ander, wellicht wat minder nationalistisch argument om de beelden te laten staan, is de hoop dat de beelden mensen aan het denken zetten over de, op sommige momenten zwarte bladzijden, van de Nederlandse geschiedenis. Het behouden van de omstreden standbeelden, als een splinter in je oog die pijn doet.

Een derde argument om de beelden te behouden heeft te maken met de eerder genoemde standplaatsgebondenheid. De personen om wie het hier gaat zijn volgens dit argument veelal omstreden omdat ze uit de historische context worden gehaald en beoordeeld worden naar de hedendaagse normen en waarde. Dit is iets wat je volgens veel historici niet kunt en mag doen.

Conclusie.

Fidel Castro, jarenlang dictator in Cuba, besloot tijdens de periode waarin hij aan de macht was dat er geen enkel beeld, plein of straat naar hem vernoemd mocht worden. Dit om te voorkomen dat deze beelden, pleinen en straten ooit een andere naam zouden krijgen op het moment dat de naam van Castro omstreden zou worden. Hiermee wilde hij voorkomen dat zijn naam publiekelijk en zichtbaar aangetast zou worden. Is dit dan de manier waarop we discussie over omstreden straatnamen en  standbeelden kunnen voorkomen. Moet iedere straat naar bijvoorbeeld een plant vernoemd worden of simpelweg een nummer krijgen en moeten alle beelden uit het straatbeeld verdwijnen?

De vraag is waar we de grens moeten trekken. Moeten we een historische figuur beoordelen op het aantal mensen dat hij over de kling heeft gejaagd? Of is het meer een kwestie van tijd die verstreken is. Is het zo dat we monumenten die nog aanstoot kunnen geven aan overlevenden moeten verwijderen, maar oudere beelden rustig kunnen laten staan? Een belangrijk deel van onze collectieve identiteit bestaat uit de verhalen die wij onszelf over het verleden vertellen en de monumenten die daar een beeld van vormen. Dit vraagt om een zekere mate van consensus, die er vaak niet is. Hier ligt de kiem voor het conflict dat ontstaan is tussen voor- en tegenstanders van het behoud van deze monumenten. Er ontstaan twee groepen die op geen enkele wijze nader tot elkaar komen.

Misschien is de enige optie een middenweg. Een standbeeld met daarnaast een bordje met informatie en historische duiding. Een bordje met een eerlijk verhaal maar wel in de historische context. De extremen in zowel de groep voorstanders als tegenstanders zullen hier niet tevreden mee zijn. De grootste groep Nederlanders echter wel. Het is immers onmogelijk iedereen tevreden te stellen.

History repeats itself

The Grapes of Wrath

In 1939 komt in Amerika “The Grapes of Wrath” van John Steinbeck uit. Het boek verhaalt over de Joads; een arm gezin uit de arbeidersklasse ten tijde van The Great Depression, de periode volgend op de beurskrach van 1929. Het boek wordt gezien als een van de grootste literaire stukken uit de Amerikaanse geschiedenis. Opeens was daar een schrijver welke een boek uitbracht en Amerika met de tekortkomingen van de samenleving confronteerde.

De Joads, bestaande uit vader en moeder en hun zes kinderen leven in Oklahoma, dat in de jaren `30 ook nog eens te kampen krijgt met de zogenaamde Dust Bowl (een fenomeen dat in de eerste pagina`s van het boek op prachtige wijze wordt neergezet door Steinbeck), stofstormen welke de vlakten teisteren en zorgen voor jaren zonder ook maar een enkele druppel regen. In de deze periode verlaten honderdduizenden noodgedwongen de staten Oklahoma, Kansas en Arkansas op zoek naar een beter leven in bijvoorbeeld California. Ook de familie Joad vertrekt. Oudste zoon Tom is net met proefverlof vrijgelaten uit de McAlester gevangenis. Hij heeft daar vastgezeten wegens doodslag.

Het immigratievraagstuk speelt in dit verhaal dan ook een prominente rol. In Californië zal alles beter zijn, zo heerst de hoop onder de duizenden die vertrekken, op zoek naar waardigheid, naar eten, maar vooral naar werk. En zoals zovelen zullen ook de Joads bedrogen uitkomen want de belofte van het beter bestaan blijkt grotendeels een illusie. Voor steeds lagere lonen moeten de nieuwkomers gaan werken om überhaupt te kunnen overleven, áls er al werk te vinden is.

Steinbeck beschrijft de reis van de Joads over de route `66 in hun oude Dodge vrachtwagen, dwars door de Rockies. Het laat de desolate situatie zien van landarbeiders die ondanks hun toch al karige en mensonterend harde bestaan en hun strijd te overleven, toch nog gedwongen worden huis en haard te verlaten. Maar het is ook het verhaal van moed, doorzettingsvermogen, het geloof in elkaar, maar bovenal de wil te overleven en dat alles vanuit een onbeschrijflijke liefde voor land dat bewerkt kan worden.

Een vrachtauto ontvlucht een zogenaamde ‘Dust Bowl”

Gemeenschappen onder de vluchtenden ontstaan vanzelf en er ontstaan als vanzelf nieuwe wetmatigheden. De scheidslijn tussen goed en kwaad in de strijd te overleven is dun, flinterdun zelfs. Het laat zien hoe geslachtofferde arbeiders, één in hun gezamenlijke lot, vanuit verbondenheid een collectieve wraaklust ontwikkelen. Het verhaalt echter bovenal over de menselijke waardigheid en de strijd van de duizenden werkeloze arbeiders ten tijde van The Great Depression.

The Great Depression

Hoe zat het ook alweer met die depressie? Wat is dat eigenlijk? Wat is het verschil tussen een recessie, de term die we momenteel bijna dagelijks horen, en een depressie? Binnen de economie wordt een recessie gedefinieerd als een staat van een economie waarbij het BBP van een land gedurende minimaal twee elkaar opvolgende trimesters is afgenomen. Een depressie heeft dezelfde kenmerken maar houdt langer aan en de gevolgen zijn ook erger. De economie staat nagenoeg stil, consumptie en daarmee productie vallen zogezegd bijna stil.

Een migrantengezin jaren `30 (photo: Dorothea Lange)

De depressie van de jaren dertig, is de laatste depressie die we in het westen eigenlijk nog kennen. Recessies zijn er echter vele geweest, denken we alleen al aan de recessies omtrent de oliecrisis in de jaren`70 van de vorige eeuw, de techbubbel aan het begin van deze eeuw en de huizen- en bankencrisis van 2008. Hieruit kunnen we afleiden dat een economische neergang gepaard gaat met een economische crisis; een gebeurtenis of een reeks van gebeurtenissen welke er toe leiden dat de economische neergang wordt ingeluid. Soms gaat een economische crisis gepaard met inflatieve omstandigheden, zoals stijgende inflatie, hyperinflatie of deflatie. Een inflatie is niets anders dan stijgende prijzen. Deze mag niet te snel en te hard stijgen omdat de loonontwikkeling het prijsniveau niet bijbeent waardoor mensen genoodzaakt zijn minder uit te geven wat vervolgens de economie niet stimuleert (productie) omdat mensen de hand op de knip moeten houden (erg actueel als je het mij vraagt). In het geval van een hyperinflatie stijgen de prijzen zo snel (je moet dan aan dagelijkse prijsstijgingen denken), welke voor paniek onder mensen zorgt. De run op de bank ontstaat omdat mensen hun geld snel in andere valuta of waardevaste goederen willen steken in de hoop nog wat te redden. Hyperinflatie kan onstaan doordat Centrale banken zoveel geld bijdrukken, en giraal wegwerken via het bankenstel daaronder, dat het niet meer in verhouding staat tot de verdiensten van een land, de schuldenberg kan niet meer worden afbetaald (ook erg actueel).

De beurskrach van 1929

Gedurende de Eerste Wereldoorlog kampte Europa met grote graantekorten als gevolg van het ontbreken van voldoende arbeiders in de agrarische sector, die zaten allemaal in de loopgraven van België en Frankrijk. Men vroeg de Amerikanen om hulp en die kreeg het ook. Het zorgde voor een immense productiegroei van de agrarische sector in Amerika. Nadat de vrede werd getekend viel de behoefte aan ondersteuning van over de plas snel weg en dit zorgde voor grote problemen onder de boeren in Amerika. Deze waren inmiddels ingericht op grotere productieaantallen dan wat er nu aan vraag nog over was. De prijzen daalden hierop waardoor men met een overgrote schuldenlast kwam te zitten. Vele lokale, op de agrarische tak gerichte, banken konden het niet meer aan en vielen om, waardoor de gelieerde grotere banken ook in de problemen kwamen, een crisis was geboren.

Arbeidsmigranten, begin jaren `30 (Photo: Dorothea Lange)

Daarnaast was door mechanisatie in de jaren `20 de productie wel gestegen, maar waren de lonen niet meegestegen, onder andere doordat vele overzeese arbeidsmigranten bereid waren voor veel lagere lonen te werken. Mensen konden vervolgens vanwege de lage lonen de dure producten afkomstig uit de fabrieken niet betalen waardoor er overproductie ontstond, ook hier dus.

Probleem hierbij was dat de overheid ten eerste het probleem en de omvang ervan pas veel te laat inzag. Ook kende de overheid het standpunt niet in te willen grijpen in de economie omdat het vond dat deze zelfregulerend moest zijn. Op de beurzen speculeerden velen met van de banken geleend geld. De ontwikkelen gingen nu dusdanig snel dat de redmiddelen niet meer ingezet konden worden door de instanties (rente- en loonkostendaling).

Er is ook een andere theorie die stelt dat de invoering van de Centrale Banken en het afstand doen van de macht over geldcreatie onder President Wilson ten gunste van de FED, geleid heeft tot de Grote Depressie. Dit zou komen door de excessieve geldcreatie door diezelfde FED, omdat het zou hebben geleid tot een kredietbubbel en daarmee de hoofdzaak zou hebben gevormd voor alle er op volgende problemen binnen de economie. Feit is inderdaad dat geldontwaarding ( de koopkracht van een individu) sinds de invoering van de centrale banken dramatisch is gedaald. Het geeft te denken in onze tijd waar we dagelijks te kampen hebben met de gevolgen de risico`s die de centrale banken met hun beleid voor ons nemen.

Op de 24e van oktober 1929 stortten de aandelenbeurs in en de effectenbeurs volgde vijf dagen later. Mensen trokken zo snel ze konden hun geld weg bij de banken maar voor velen was het al te laat en viel er niets meer te halen. Binnen een jaar tijd vielen ruim 700 banken in Amerika om. Sociale voorzieningen waren er niet voor de gedupeerden om aanspraak op te maken. De koopkracht viel in zijn totaliteit weg. Binnen een jaar ook was het BBP met maar liefst 40%. Binnen 4 jaar zat 1 op de 4 werkloos thuis, en de depressie zou een decennium duren, tot het moment waarop de Amerikaanse economie zich langzaam meer en meer te dienste ging stellen ten behoeve van de ontwikkelingen in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog.

Tegen die achtergrond en met de gevolgen van die gebeurtenissen kampend, vlucht de familie Joad de staat uit, op zoek naar een beter leven vanuit de hoop, ijdele hoop in dit geval.

John Steinbeck

Misschien wel de beste ridder ooit.

In de geschiedschrijving noemen historici William Marshal vaak als de beste ridder die ooit leefde. De succesvolle Engelse ridder en graaf van het graafschap Pembroke diende vijf koningen, won vele riddertoernooien en was de beschermheer van jonge koning Henry III. William speelde vanaf zijn jonge jaren tot aan zijn dood in 1219 een belangrijke rol in de Engelse geschiedenis. De vraag is echter of deze titel en de eer hiervan terecht aan William Marshal worden toegeschreven..

Want er is nóg een kandidaat die de titel ‘beste ridder ooit’ zou kunnen dragen. Een man van bescheiden afkomst die uitgroeide tot één van de belangrijkste ridders en legerleiders van het Franse leger tijdens de 100-jarige oorlog (1337-1453). Een legendarische ridder met de bijnaam ‘De arend van Brittannië’. Een man waarbij mythes en waarheden over zijn leven door elkaar lopen. Wat was dit voor een man en hoe verliep zijn leven? En verdient deze man de titel ‘de beste ridder ooit’ ten koste van William Marshal?

De zware jonge jaren van Bertrand.

Bertrand du Guesclin werd geboren omstreeks 1320 op landgoed Motte-Broons. Dit thans verdwenen landgoed lag in het noordwesten van Frankrijk, regio Bretagne. De familie du Guesclin was van lage adel en leende, zoals zo vaak gebeurde in de Middeleeuwen, het stuk grond waarop ze leefden. In diverse boeken wordt Bertrand beschreven als een ongeletterde, boerse en volgens sommige bronnen zelfs lelijke jongen. Een uit de kluiten gewassen lompe jongeman. Hoewel schoonheid een kwestie van smaak is, had Bertrand in zijn jeugd wel veel last van zijn voorkomen en uiterlijk. Zoals de kroniekschrijver Cuvelier schrijft: “Zijn vader en moeder haatten hem zo erg, dat ze diep in hun hart vaak wensten dat hij dood of verdronken was.” De verachting, vernedering en schijnbare onrechtvaardigheid waarmee hij zijn gehele kindertijd te kampen had gehad, uitte zich in ongehoorzaamheid, koppigheid en opstandigheid en in zijn vurige, ontembare karakter. Hij zou volgens sommige bronnen tijdens de banketten niet aan de grote tafel bij zijn ouders en broers mogen eten en moest aan de zijkant van de eetzaal plaatsnemen. Volgens andere bronnen zou hij zelfs verstoten zijn door zijn ouders vanwege zijn uiterlijk. Bewijs voor deze bewering heb ik nergens kunnen vinden. In ieder geval had hij een zeer zware jeugd en leek Bertrand du Guesclin in zijn jonge jaren in niets op de legende die hij ooit zou worden. Hoewel, vanaf negenjarige leeftijd organiseerde hij gevechten tussen jonge jongens op het landgoed van zijn vader. Hij gaf bevelen en liet de jongens deze direct opvolgen. Zijn vader, Robert, was hier niet blij mee en liet Bertrand zelfs enige tijd opsluiten. Misschien zag men hier wel voor het eerst tekenen van de legerleider die Bertrand ooit zou worden.

Beeld van Bertrand du Guesclin als kind.

Een dappere ridder staat op.

In 1337 nam Bertrand du Guesclin deel aan zijn eerste riddertoernooi. Hij was op dat moment 17 jaar oud. Omdat de vader van Bertrand weigerde geld uit te geven om voor zijn zoon een harnas en wapens te kopen, moest hij deze lenen van een ander familielid. Tijdens het toernooi in Rennes maakte hij, onherkenbaar door zijn geleende harnas en paard, indruk en wist hij menig spel te winnen. Zijn vader nam ook deel aan dit toernooi en daagde de onbekende strijder uit voor een gevecht. Volgens de overlevering zette Bertrand zijn helm af. Zijn vader zag hem en was blij verrast dat zijn zoon de onbekende ridder was, en bezwoer hem nooit meer zo slecht te behandelen.

Bertrand als ridder tijdens het toernooi in Rennes.

Bertrand als legerleider.

In ditzelfde jaar stierf de Franse koning en daarmee het koningshuis van de familie Capet. De machtsstrijd om de Franse kroon die daarop volgde noemen wij de 100-jarige oorlog. Du Guesclin was op dit moment net volwassen en hoopte dat hij een kans kreeg zich in deze oorlog te onderscheiden in gevechten. Dit lukte de eerste jaren van de oorlog niet echt. Bertrand nam geen deel aan de eerste grote veldslagen van de 100-jarige oorlog maar vocht slechts in kleine plaatselijke gevechten. Zijn machtspositie veranderde echter in 1353, het jaar dat zijn vader, Robert du Guesclin, overleed. Bertrand erfde het landgoed en een groot deel van het kapitaal van zijn vader. Volgens de overleveringen huurde hij een leger van ongeveer 60 ridders in met wie hij in de bossen van Bretagne gevechten leverde met Engelse soldaten. Hij gebruikte hier technieken die we tegenwoordig guerrilla-technieken zouden noemen. Snelle aanvallen, chaos scheppen en weer verdwijnen in de bossen. Hoewel het op deze manier vechten tegen alle ridderlijke waarden en regels inging, bleek het wel zeer effectief en ontwikkelde zich al snel mythevorming rond het huurlingenleger van Bertrand. De basis voor zijn bijnaam; ‘De arend van Brittannië’ was gelegd.

Bertrand op de leeftijd dat hij steeds meer macht en aanzien krijgt.

Officieel ridder.

Tijdens de 100-jarige oorlog streden er ook twee partijen om de macht in de provincie Bretagne. In deze mini-oorlog binnen de grotere oorlog koos du Guesclin de kant van de door de Franse koning gesteunde Charles du Blois. Toen de Engelsen in april 1354 het kasteel van Montmuran belegerden nam du Guesclin met zijn huurlingenleger deel aan het ontzetten van dit kasteel. De belegering werd opgeheven en het kasteel bleef Frans. Als beloning werd hij geridderd door de Franse koning. Hiermee nam zijn status enorm toe.

De rol van du Guesclin tijdens de 100-jarige oorlog.

De legende van Bertrand du Guesclin groeide de jaren daarna snel. Het hoogtepunt was het ontzetten van de stad Rennes tussen 1356 en 1357. Rennes nam een sleutelpositie in noord-Bretagne in en als die stad zou vallen was er voor de rest van Bretagne ook geen houden aan. Het bevel over de Engelse belegeraars van Rennes lag in handen van hertog Henri van Lancaster, een jongere broer van de Engelse koning. Door middel van het gebruiken van diplomatie, handige trucjes en goede tactieken bliezen de Engelsen na enkele maanden de aftocht, overtuigd dat een langere belegering niet zinvol is. Een voorbeeld van één van deze handigheidjes was het plan van du Guesclin om een aantal hooggeplaatste Engelsen uit te nodigen voor een diner in de stad. Officieel om met hen te kunnen onderhandelen, maar eigenlijk vooral om hen te laten zien dat het goed ging met de stad. Hoewel de belegering al enkele maanden duurde en het eten nagenoeg op was, werd het laatste eten gebruikt om een groots diner voor te kunnen zetten aan de Engelsen. Deze waren hierdoor overtuigd dat het eten in de stad nog lang niet op was en dat de belegering weinig zinvol was geweest. Hierna werd de belegering afgebroken en trokken de Engelsen zich terug.

In 1364 ging het voor de door Bertrand du Guesclin en Franse koning gesteunde Charles du Blois vreselijk mis. In de slag bij Auray werden ze verslagen door de Engelse legers. Du Blois kwam om in de strijd en du Guesclin moest zich overgeven. Hij werd gevangen genomen door de Engelsen. De Franse koning Karel V betaalde persoonlijk de 100,000 Franc losgeld om hem vrij te kopen. Dit zegt iets over de band die du Guesclin had met de Franse koning en hoe belangrijk hij was voor het Franse leger.

Koning Karel V (de wijze) van Frankrijk.

Voor het vaderland naar Spanje.

Tussen 1366 en 1370 stuurde de Franse koning Bertrand naar Spanje. Legers van Spaanse koninkrijkjes, Engeland en Frankrijk waren met elkaar slaags geraakt. Ook hier vocht Bertrand du Guesclin met een klein huurlingenleger namens Frankrijk tegen de Engelsen. Hoewel hij nog een keer krijgsgevangene werd gemaakt en wederom werd vrijgekocht door de Franse koning, wist hij er uiteindelijk voor te zorgen dat de Engelse troepen zich terugtrokken uit Spanje. Met de titel “Graaf van Molina” op zak keerde du Guesclin terug naar Frankrijk waar in de oorlog met Engeland een nieuwe hevige fase was aangebroken. 

Terug in Frankrijk.

Eenmaal terug in Frankrijk benoemde de Franse koning Karel V hem tot de belangrijkste militaire leider van het land. Er was regelmatig direct contact voor tactisch en strategisch overleg tussen de koning en du Guesclin. Bertrand du Guesclin was nu één van de machtigste mensen in Frankrijk. Omdat deze positie altijd werd gegeven aan iemand van hoge adel, was du Guesclin een uitzondering. Een enorme eer en verantwoordelijkheid. In de standenmaatschappij welke Frankrijk op dat moment had was het voor de adel van Frankrijk niet gemakkelijk te accepteren dat dit ambt bekleed werd door iemand van lage adel. Tijdens zijn tijd als militair leider had du Guesclin dan ook constant moeite de Franse adel onder controle te houden. Van een soepele samenwerking was nooit sprake. Dit ondanks het feit dat hij steeds weer bewees een briljant tacticus en legerleider te zijn. Zo veroverde hij de provincies Poitou, met als hoofdstad Poitiers en Saintonge, beide in het westen van Frankrijk. De Engelse legers werden hier zo verpletterend verslagen dat de Engelse prins Edward of Woodstock, ook wel de ‘Black Prince’ genoemd, zich terugtrok uit Frankrijk.  Betrand du Guesclin wist de Engelsen uit een groot deel van Frankrijk te jagen en liet de Franse marine zware aanvallen uitvoeren op de Engelse kust. De Fransen konden hierdoor steeds meer uit hun verdedigende posities komen en de Engelsen stad voor stad terugdringen.

Het laatste gevecht.

In 1373 boekte du Guesclin zijn laatste grote overwinning op de Engelsen. Dit was tijdens de slag om Chitzé. Deze stad, gelegen aan de westkust van Frankrijk, werd bezet door het Engelse leger. Du Guesclin liet zijn legers de stad belegeren. Toen de Engelsen een leger naar de stad stuurden om de belegering op te heffen werd dit leger door du Guesclin opgewacht en verslagen. Wederom maakt hij hier gebruik van zijn kenmerkende stijl en tactiek tijdens de gevechten. Hij vermeed een oorlog in open veld, en voerde verrassingsaanvallen uit om de vijand te verzwakken en vervolgens te verslaan. De stad werd ontzet en was weer onder Franse controle. Hiermee eindige de Engelse dominantie in het westen van Frankrijk.

Overlijden en begrafenis van du Guesclin.

Du Guesclin overleed na een kort ziekbed in 1380 tijdens het belegeren van de stad Châteauneuf-de-Randon, bij Mende in het Zuid-Franse Département Lozère. Hij werd 60 jaar oud. Na deelgenomen te hebben aan zeven grote veldslagen waarvan twee als leider van het Franse leger, was zijn veldtocht voorbij.

Rouw na het overlijden van Bertrand du Guesclin.

Volgens zijn wens werd zijn gebalsemde lichaam overgebracht naar Dinan in de provincie Bretagne. In de zuid-Franse stad Le Puy werd zijn lichaam gebalsemd. De ingewanden van du Guesclin werden bijgezet in de plaatselijke kerk. De rouwstoet trok verder in noordelijke richting. Een aantal dagen later bleek dat de balseming niet goed was gelukt. Het lichaam begon te ontbinden. Het vlees werd van de botten gescheiden om verdere ontbinding te voorkomen. Het lichaamsvlees van du Guesclin werd begraven in Clermont-Ferrand. De rouwstoet trok verder noordwaarts met het skelet en het hart. Vlakbij Parijs bracht een officier het koninklijk bevel dat het lichaam van du Guesclin in Saint Denis, een buitenwijk van Parijs, moest worden begraven en niet in Dinan zoals hij zelf wilde. Zijn overblijfselen werden hier dan ook begraven. Het hart ging terug naar Dinan, de plek waar du Guesclin vandaan kwam en veel van zijn gevechten had uitgevochten. Hij was thuis. Zijn tactieken werden door de Franse legers nog eeuwenlang gebruikt, zo zou ook Jeanne d’Arc de guerrillatactieken van Bertrand du Guesclin hebben gebruikt.

Misschien wel de beste ridder ooit?!

Du Guesclin groeide uit van een jongen die zelfs door zijn ouders minacht werd tot de legerleider van Frankrijk. Een winnaar van riddertoernooien, briljant strateeg en vertrouweling van de Franse koning. Ondanks alle tegenslagen wist hij zijn stempel te drukken op de 100-jarige oorlog. Op de vraag of hij ten koste van William Marshal de betere ridder is verschillen de meningen (hoe kan het ook anders). Ook het palmares van William Marshal is imposant, vooral ook als het gaat om behaalde overwinningen in toernooigevechten. Buiten kijf staat dat het twee uitmuntende ridders zijn geweest.

Het gezicht van Bertrand zoals in steen te zien is op zijn grafmonument in Dinan.



75 jaar Market Garden (september 1944 – september 2019).

In september herdachten we 75 jaar operatie Market Garden. In een poging de tweede wereldoorlog voor de winter van 1944 te beëindigen probeerden de geallieerden via Nederland het Duitse Ruhrgebied te bereiken. Deze operatie bleek een brug te ver. De brug over de Rijn in Arnhem kon niet lang genoeg in handen gehouden worden door de dappere Engelse soldaten. Hierdoor bleef het noorden van Nederland bezet en kwamen vele duizenden burgers om tijdens de hongerwinter.

Vele tienduizenden bezoekers hebben de afgelopen maand op verschillende plekken in Nederland deze grootste luchtlandingsoperatie ooit herdacht. “We will remember them.”

“For the Fallen” is een gedicht geschreven door Laurence Binyon. De “Ode of Remembrance” is een ode uit het gedicht. Dit was afgelopen september bij iedere herdenkingsceremonie te horen.

De roerige verhouding tussen de Engelsen en de Ieren. Deel II

In het vorige blog over dit onderwerp eindigden we met het ontstaan van de IRA aan het begin van de 20e eeuw, vlak na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, en de Paasopstand van 1916, welke een markeerpunt vormde in de geschiedenis van Ierland omdat hier de scheiding ontstaat tussen een tak binnen het Ierse nationalisme die een radicale koers wil varen, en een meer gematigde algemeen nationalistische tak, welke het patronaat van de Britse kroon onder de belofte van autonomie accepteerde.

Doordat het Britse rijk veel manschappen verloor in de velden van Vlaanderen, had het verse aanwas nodig. Voor de Ieren gold tot dan toe geen dienstplicht. Die werd echter al snel ingevoerd voor de Ieren, waarbij de Britse overheid als motivatie aanvoerde dat men toch eervol zou vechten voor de vrijheid van een klein land als België, dat militair immers niet op kon tegen het voortdenderende oorlogsgeweld komende uit het Oosten.

Het nationalisme en het anti-Britse sentiment werden hierdoor echter alleen maar versterkt en de gedachte dat men klaar was voor een grote opstand tegen de Britse bezetter groeide verder. De Paasopstand vormde het toneel van het gewapende verzet dat onder leiding van James Connoly van de Irish Citizen Army met ruim 200 aanhangers, en meer dan 2000 aanhangers van de Irish Volunteers onder leiding van Padraig Pearse ( welke op paasmaandag als leider van de nieuwe republikeinse regering de Ierse republiek uit zou roepen), de strijd opnam tegen de Britse bezetter, die daar zo`n 4500 manschappen tegenover stelde. Er werd een harde maar kansloze kortstondige strijd gevoerd door de Ierse opstandelingen; numeriek waren ze zwaar in de minderheid en hun uitrusting kon zich niet meten met die van de Engelsen. Op 24 April 1916 (paasmaandag) marcheerden ze door de straten van Dublin, waarbij ze diverse overheidsgebouwen in beslag namen. Britse troepen reageerden echter snel en er ontspon zich een strijd, welke voortduurde tot 30 april.

Verwoesting te Dublin na de gebeurtenissen gedurende de Paasopstand van 1916

Het hoofdkwartier van de opstandelingen vormde het General Post-Office, waar leider Connoly zwaargewond raakte tijdens de gevechten en nog maar enkele dagen te leven zou hebben gehad op basis van zijn verwondingen. De opstand werd neergeslagen en de leiders werden door de Britten geëxecuteerd. Dit is een gebeurtenis welke van belang geweest voor de vorming van de houding t.a.v. de Britse bezetter onder de massa van het Ierse volk. Vooral de executie van Connoly was omstreden. Hij zou sowieso sterven aan zijn verwondingen volgens de artsen, maar werd evengoed voor het vuurpeloton gezet. Omdat hij niet meer kon lopen, werd hij naar de executieplaats gedragen op een stretcher, waarna hij werd vastgebonden op een stoel zodat ze hem neer konden schieten naar een model dat in elk geval iets moest weghebben van een standrechtelijke executie.

De gebeurtenis riep veel weerstand op onder de meerderheid van de Ierse bevolking, welke zich tot dan toe had afgekeerd van een openlijke opstand, terwijl met het gruwelijke bloedoffer dat door Connolly werd gebracht toch voor velen de schellen van de ogen vielen. Ineens werd duidelijk welke idealen de opstandelingen dreven in hun strijd tegen de bezetter. Het was van meet af aan duidelijk dat de Paasopstand gedoemd was te mislukken en de opstandelingen wisten dit ook. Uiteindelijke lieten ruim 60 opstandelingen het leven en aan Britse zijde stierven ruim 130 troepen. De opstand werd door de pers toegeschreven aan Sinn Fein, die er in feite niet bij was betrokken, maar de berichtgeving zorgde er wel voor dat hun ledenaantal kon groeien. De paasopstand had in zekere zin dus haar oorspronkelijke doel gemist, maar vormde toch een kentering: de anti-Britse sentimenten groeiden door de gebeurtenissen omtrent de Paasopstand verder en leidden tot een overwinning van Sinn-Fein tijdens de verkiezingen van 1918. Daarnaast zou uit de mengelmoes van The Irish Volunteers, The Irish Citizen Army en andere groepen de IRA ontstaan; The Irish Republican Army (1917).

Een groep Irish Volunteers

Sinn Fein

Nadat meer en meer leden zich aansloten bij Sinn Fein na de Paasopstand van 1916, werd de beweging meer radicaal nationalistisch. Tussen 1918 en 1921 woedde de Ierse onafhankelijkheidsoorlog op grote schaal; een periode waarin Sinn Fein de eerste Assembly of Ireland (“Dail Eirreann” of: “Eerste Dail” in de Ierse taal) vormde in 1918; het eerste Ierse Republikeinse parlement. In hun manifest weigerden ze de Britse regering te erkennen en een eigen landsbestuur te vormen vanuit Dublin. Tijdens de eerste vergadering van de vers gevormde assemblee werd een grondwet gemaakt. In augustus 1918 echter, werd de assemblee illegaal verklaard door de Britse regering; waardoor de vergaderingen voortaan ondergronds werden gehouden. De eerste “Dail” bestond tot 1921, toen de Ierse onafhankelijkheidsstrijd tot een einde kwam, en er een vredesverdrag met de Engelsen werd gesloten.

De Ierse onafhankelijkheidsstrijd 1918-1921

Binnen Sinn Fein ontstonden na het verplichten van de dienstplicht door de Britten voor Ieren twee lijnen binnen de partij: de politieke en de militaire. Zo koos Eamon de Valera als leider van de Dail de politieke kant in de hoop op gewin via deze weg, daar waar Michael Collins, zijn minister van financiën, ervoor koos de weg van het gewapend verzet te volgen. De Valera hoopte dat de Ierse zaak behandeld zou worden bij de vredesonderhandelingen na het einde van de Eerste Wereldoorlog te Versailles. Michael Collins had echter de stellige overtuiging dat de vrijheid enkel bereikt kon worden door er voor te strijden. Officieel was Collins dus minister van financiën van de Ierse Republiek, hoewel hij in feite de strategie van het gewapende verzet organiseerde, waarbij hij als primair doel het verwijderen van het Brits gezag op het platteland koos, hopende op een groeiende steun van het volk, als reactie op represailles door de Britten.

Nu was er binnen Sein Feinn al een lange tijd aanwezigheid van paramilitaire elementen onder de naam The Volunteers. Onder The Volunteers bevonden zich ook radicaler nationalisten welke de Irish Republican Brotherhood hadden opgericht. Samen werden deze twee groepen gezien als het leger van Sinn Fein (IRA). Collins had goed voor ogen volgens welke spelregels hij het spel wilde spelen en besefte maar al te goed dat een strijd volgens conventionele methodieken enkel de ondergang voor de Ieren kon betekenen tegen het veel beter uitgeruste Britse leger. Om die reden koos hij voor de Hit and Run techniek; Guerilla dus.

Michael Collins kreeg gelijk en het Britse gezag reageerde inderdaad fel op de guerrilla-acties van de IRA onder zijn leiding. Zo had hij in 1920 het plan opgevat in Dublin een groot aantal Britse officieren om het leven te brengen. Dertien Britse officieren verloren daarop inderdaad hun leven bij diverse acties van de IRA in de stad.

Voetbal

Later op dezelfde dag werd er gevoetbald in Croke Park tussen het team van Tipperary en het team van Dublin. Een Brits konvooi was onderweg naar het stadion met de intentie iedereen te fouilleren in het stadion, waar vijfduizend toeschouwers aanwezig waren. Dit liep door spanningen echter compleet uit de hand en de Britse veiligheidstroepen schoten om zich heen, waarbij dertien doden en ruim zeventig gewonden vielen. Deze dag, zondag 21 november, ging de boeken in als de bloedigste zondag uit de geschiedenis van de Republiek; Bloody Sunday, in de jaren `70 zou er nog zo`n zondag volgen. Uiteindelijke eindigde de onafhankelijkheidsoorlog doordat er een verdrag kwam met de Britten welke Ierland verdeelde in twee gebieden; Noord-Ierland, met als centrum Ulster voorop (Het Noorden van Ierland vormde het hart van de economie met haar havenactiviteiten en handelsverkeer) dat onder Brits gezag bleef, en de rest van het eiland dat vanaf nu de Ierse Vrijstaat vormde.

Het herdenkingsmonument te Croke Park

Uiteindelijk werd er in 1921 toch een vredesbestand gesloten. Namens de Republikeinen werd Collins samen met Arthur Griffith door de Valera afgevaardigd om onderhandelingen te voeren met het Britse gezag na het sluiten van het bestand. Het resultaat hebben we reeds kort benoemd. De provincie Ulster (Noord-Ierland) bleef onder Brits gezag, de rest van Ierland werd de Ierse Vrijstaat, echter zonder complete autonomie, datgene waar de Ieren zo op hadden gehoopt. Daarbij bevatte het verdrag de bepaling dat trouw moest worden gezworen aan de Britse kroon. Het verdrag was dus op zijn zachtst gezegd omstreden binnen de eigen geledingen, en Collins had hier een belangrijke rol bij gespeeld. Collins zou zelf in 1922 omkomen bij een bezoek aan zijn troepen in de buurt van Macroomin, tien dagen nadat hij president was geworden van de Ierse Vrijstaat. Zijn dood is omstreden omdat niet duidelijk is of hij door zijn eigen mannen, of door vijandelijke troepen. Zoals gezegd was het vredesverdrag omstreden; aangenomen wordt dat hij door tegenstanders van het verdrag om het leven is gebracht.

Michael Collins, Iers politicus en revolutionair

De voor- en tegenstanders van het verdrag kwamen lijnrecht tegenover elkaar te staan en een burgeroorlog werd onvermijdelijk. De Ierse Vrijstaat arresteerde op grote schaal IRA-leden welke tegen het verdrag gekant waren en op hun beurt voerde de IRA acties uit. In de tien maanden die volgden vielen honderden slachtoffers. Uiteindelijk zegevierde de Ierse Vrijstaat en schikte de tegenstanders van het verdrag zich met tegenzin in de situatie, en eind april 1923 volgde een wapenstilstand, gevolgd door nieuwe verkiezingen, waarbij een ruime meerderheid koos voor de partij die voor de Vrijstaat was.

In het volgende blog over dit onderwerp, het laatste deel van dit drieluik, zoomen we in op de rol van Ierland tijdens de Tweede Wereldoorlog een interessant hoofdstuk uit de Ierse geschiedenis; de Ierse Republiek wenste dan wel neutraal te blijven gedurende deze periode, maar daar was niet iedereen onder de Ieren het mee eens. Verder duiken we in de periode van The Troubles, de periode die de meeste mensen van mijn leeftijd (40) nog helder voor de geest staat.

De waanzinnige paus Stefanus VI.

Het bekleden van de functie van paus, de leider van de katholieke kerk, was tijdens de middeleeuwen en renaissance niet gemakkelijk. Het was een wereld vol corruptie waarbij gevaar van zowel buiten de kerk als van binnenuit de kerk constant aanwezig was. In deze periode in de geschiedenis zijn er veel pausen te noemen die we vandaag de dag als gestoorde machtswellustelingen zouden omschrijven. Zo ook Stefanus VI. Het verhaal van Stefanus VI gaat echter nog verder dan die van veel andere pausen. Waarom is Stefanus VI slechts één jaar paus geweest? Wat dreef deze paus om ruzie te maken met zijn overleden voorgangers?

Het pausschap van Stefanus VI.

Stefanus VI word tot paus gekozen in het jaar 896. Het is een onrustige tijd in Europa. Families in Italië vechten om macht, invloed en aanzien. Het kunnen aanwijzen van een paus of, nog beter, het hebben van een paus binnen de eigen familie, geeft de families extra aanzien. Er is daardoor hevige concurrentiestrijd om deze, meeste heilige, positie.

De precieze omstandigheden waaronder Stefanus VI is verkozen tot paus zijn niet duidelijk. Waarschijnlijk is hij door de invloedrijke familie Spoleto naar voren geschoven als hun kandidaat. Stefanus VI is de opvolger van één van de kortst zittende pausen Bonifatius VI. Na een pausschap van slechts 15 dagen overlijd Bonifantius VI onder verdachte omstandigheden, hoogstwaarschijnlijk om plaats te maken voor Stefanus VI. Deze snelle opvolging van pausen, soms slechts enkele maanden in functie, zegt veel over de machtsstrijd om dit ambt en daarmee ook het gevaar dat iedereen die dit ambt bekleedde liep.

Paus Stefanus VI.

De kadaversynode.

Stefanus VI staat niet bekend om zijn goede daden of grootse kerkhervormingen. Hij staat vooral bekend om zijn enorme woede ten aanzien van één van zijn voorgangers Formosus die paus was tussen 891 en 896. Deze woede en afkeer leidde tot een bizar proces waarbij de dan al weken dode paus zich moet verantwoorden voor een tribunaal. Dit is de zogenaamde kadaversynode.  

Paus Formosus I. 

Om het proces te kunnen laten plaatsvinden is het in de Sint Pieterskerk begraven lichaam van Formosus opgegraven. Het lichaam, acht maanden daarvoor overleden en reeds in behoorlijke staat van ontbinding, werd naar de kerkelijke rechtbank gebracht voor het proces. Daar werd het lichaam op een troon geplaatst en aangeklaagd wegens fraude en handelingen in strijd met de kerkelijke wetten, waaronder het verkrijgen van de pauselijke titel op illegale wijze. Aanklager was paus Stefanus VI zelf. Omdat hij het proces tot synode had aangemerkt waren hoge geestelijken verplicht aanwezig te zijn. Het woord namens de overleden Formodus werd gevoerd door een deken, een geestelijke die uiteraard op de hand was van zijn religieus leider, de paus.

Aanleiding voor het proces.

Paus Formosus (816-896), wiens geboortenaam in de loop der eeuwen verloren is gegaan, was een van de meest veelbelovende talenten binnen de Katholieke Kerk van de 9e eeuw. Hij was geliefd, met name in Oost-Europa en was namens de kerk een zeer vaardige diplomaat. Deze populariteit leverde hem niet alleen lof op. Hij werd door de paus op dat moment, paus Johannes VIII, gezien als een gevaar voor diens positie. In 872 werd Formusus, jaren voor hij paus werd in 891, officieel aangeklaagd door Johannes VIII. De aanklacht luidde: ‘het corrumperen van de geesten van de Bulgaren’ en ‘het ondermijnen van de pauselijke zetel’. Formosus wachtte de rechtszaak niet af en ontvluchtte Italië. De paus besloot hem daarop uit de kerk te zetten. Na enkele jaren en excuses kwam het goed tussen Formosus en paus Johannes VIII en de belofte te maken dat Formosus nooit meer een kerkelijke functie uit zou oefenen kon hij terugkeren bij de kerk.

Na het overlijden van paus Johannes VIII werd Formosus echter weer gevraagd om voor de kerk aan het werk te gaan. Enkele jaren later werd hij zelfs unaniem gekozen tot paus. Tijdens zijn vijfjarige pausschap laaide een grote machtsstrijd op tussen de Franken en het Heilige Roomse Rijk. De Paus koos daarbij de kant van de Frankische koning Arnulf van Karinthië, waarmee hij zich automatisch tegen Guido III van Spoleto, de Keizer van het Heilige Roomse Rijk, keerde. Hier ligt de kiem voor het conflict tussen de paus Formosus en de latere paus Stefanus VI. Toen Stefanus VI in 896 paus werd wilde hij zijn trouw bewijzen aan de familie die hun macht had gebruikt om hem het pausschap te bezorgen, de Spoleto familie. Een manier om zijn dankbaarheid en trouw te tonen is de naam en reputatie van één van de grote vijanden van deze familie, voormalig paus Formosus, te beschadigen. Gevolg hiervan is het bizarre proces dat nu bekend staat als het kadaver proces.

Het kadaversynode in beeld. Rechts de overleden paus Formosus, in het midden de rechter en links de aanklager, paus Stefanus VI.

De uitkomst van het proces.

In dit schijnproces kon er maar één vonnis zijn. Formosus’ officiële daden als paus werden tijdens de kadaversynode ongeldig verklaard. De drie vingers van zijn rechterhand waarmee hij wijdingen had verricht, werden afgehakt. Zijn lichaam werd opnieuw begraven, vervolgens nogmaals opgegraven en in de rivier de Tiber gegooid. Een kluizenaar haalde het daaruit en begroef het weer. Stefanus’ opvolger paus Theodorus II groef het lichaam weer opnieuw op en liet het bijzetten in de Sint-Pieterskerk.

Thermen Caracalla, een door veel toeristen vergeten schoonheid.

In het oude centrum van Rome, een klein stukje wandelen vanaf het Colosseum en circus Maximus, zijn de ruïnes te zien van een enorm bouwwerk. De gemiddelde bezoeker van Rome heeft hier weinig aandacht voor. Er is immers zoveel te zien in de ‘eeuwige stad’. Toch is de geschiedenis van dit bouwwerk zeer interessant. Het is een plek die in iedere andere stad dé toeristische trekpleister zou zijn. Daarom staan we in dit artikel stil bij de thermen van Caracalla.

Keizer Caracalla.

In 211 werd Caracalla, bijnaam voor Marcus Aurelius Severus Antoninus, keizer van het machtige Romeinse Rijk. In 197 werd hij door zijn vader, keizer Severus, op tienjarige leeftijd al tot mede-keizer benoemd. Het hele jonge leven van Caracalla stond in het teken van het opvolgen van zijn vader. Na de dood van zijn vader greep Caracalla de macht als alleenheerser. Om zijn machtspositie te versterken en een interne machtsstrijd te voorkomen liet hij zijn jongere broer, Geta, en alle aanhangers van zijn broer vermoorden.

Caracalla was net als zijn vader een soldatenkeizer. Hij had oog voor de positie van de Romeinse soldaten en verhoogde hun soldij. Hierdoor was hij mateloos populair onder deze soldaten. Deze populariteit gebruikte Caracalla om verschillende militaire operaties op touw te zetten. Zo voerde hij oorlogen tegen de Alemannen in het noorden en de Parthen (Perzen) in het oosten. Naast de oorlogen en de bouw van de thermen liet Caracalla ook op bestuurlijk vlak een duidelijke voetafdruk achter. Zo gaf hij middels een nieuwe wet bijna alle vrije Romeinse mannen burgerrechten.

Door zijn wrede en meedogenloze houding ten opzichte van iedereen die zijn machtspositie bedreigde, werd hij door leden van de senaat gevreesd en gehaat. Romeinse geschiedschrijvers beoordelen Caracalla zeer negatief. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij in 217, tijdens de voorbereiding op een oorlog tegen de Parthen, door tegenstanders werd vermoord. Hiermee kwam er na zes jaar een einde aan het bewind van Caracalla en daarmee ook aan Severische dynastie.

De bouw en het gebruik van de thermen.

De thermen van Nero hebben de standaard gezet voor keizerlijke thermen. Deze standaard werd bijvoorbeeld gekenmerkt door het symmetrische grondplan van de thermen. Deze standaard is ook toegepast bij de Thermen van Trajanus (Thermae Traiani). Tijdens de regering van Trajanus en Hadrianus (tussen ongeveer 100 en 138) zijn de meeste badhuizen gebouwd. In deze periode was het Romeinse Rijk op zijn grootst en zeer welvarend. De thermen van Caracalla waren na de thermen van Trajanus de eerst volgende keizerlijke thermen. Het waren echter wel de grootste thermen tot dan toe gebouwd. Met 11 hectare en plaats voor ruim 2500 bezoekers moet het in die tijd een indrukwekkende plek zijn geweest. Het complex werd in 216 of 217 geopend. De bouw hiervan begon onder het bewind van Severus. Zijn zoon Caracalla voltooide dit. Bijzonder detail hierbij is dat de bouw begon in het jaar waarin Severus overleed (211) en de opening plaatsvond in het jaar waarin Caracalla vermoord werd (217).

De thermen zijn gebouwd met rood baksteen en rijkelijk versierd met prachtige fresco’s en mozaïeken. Zeker twee derde van de vloer was bedekt met vloermozaïeken. Een goed voorbeeld hiervan is een gekleurde atletenmozaïek. Deze wordt tentoongesteld in de Vaticaanse musea. Behalve Fresco’s en mozaïeken werden de thermen van Caracalla ook opgesierd met vele sculpturen.

Een fragment van het atleten mozaïek.

Net als in alle Romeinse badhuizen waren de drie voornaamste ruimtes in het complex het frigidarium (met een koud bad), het tepidarium (met verwarmde vloer en muren) en het caldarium (met warmwaterbaden). Nieuw in dit thermencomplex, en typisch voor de late keizertijd, was dat deze ruimtes werden geflankeerd door een soort ‘fitnessruimtes’ (palaestra), plekken waar men aan sport, gymnastiek en krachttraining kon doen en massages kon geven. En dat was nog niet alles: in het reusachtige complex kon je ook bibliotheken, ontmoetingszalen, feestzalen en uitgestrekte groene tuinen vinden.

Een groot badhuis zoals de thermen van Caracalla heeft veel water nodig. Het complex had om deze reden zijn eigen wateraanvoer via het aquaduct aqua Maricia. Dit aquaduct bevindt zich aan de zijkant van de thermen. Toen het aquaduct vernield werd, konden de thermen van Caracalla, na ongeveer 300 jaar, niet meer gebruikt worden. Daardoor raakte deze in verval.

De reconstructie van het interieur van het badhuis.
Een maquette van de thermen van Caracalla.
Luchtfoto van de thermen zoals ze nu te zien zijn.

De thermen nu.

De thermen van Caracalla, ooit zo modern en prachtig versiert, liggen er nu wat verloren en verlaten bij. In de zomermaanden worden er in het schilderachtig decor van de ruïnes regelmatig opera’s opgevoerd. De thermen komen dan weer heel even tot leven. Het is ook mogelijk het complex te bezoeken als u in Rome bent. Zeer de moeite waard tijd te besteden in deze parel van Romeinse cultuur en bouwkunst.

Ira Hayes: het verhaal van een ongelukkig icoon.

Iwo Jima, 23 februari 1945

Het is één van de meest iconische foto’s van de tweede wereldoorlog. Zes Amerikaanse mariniers hijsen de Amerikaanse vlag op de berg Suribachi in Japan aan het einde van de slag om het eiland Iwo Jima. Een symbool van heldendom, moed en opoffering. Voorpaginanieuws in alle Amerikaanse kranten en tijdschriften. Veelvuldig afgebeeld in geschiedenisboeken in de westerse wereld waaronder Nederland. In brons gegoten als officieel mariniersmonument in Washington D.C. Maar hoe verging het de mannen op de foto eigenlijk na dit fotomoment? En hoe verging het specifiek de enige ‘native American’ ofwel Indiaan op deze foto? Dit is het verhaal van de Amerikaanse held Ira Hayes. Held in de tweede wereldoorlog maar tegelijk Indiaan in een land waarin discriminatie en uitsluiting normaal zijn.

De mariniers van Iwo Jima.

Op 19 februari 1945 gaan ruim 70.000 Amerikaanse mariniers aan land op het Japanse eiland Iwo Jima als onderdeel van de ‘Island hopping’ strategie om de Japanners te verslaan. Er wacht hen een eiland vol bunkers, ondergrondse gangenstelsels en grotten waar de Japanners zich hebben ingegraven. Zich overgeven is geen optie voor deze 21.000 Japanse militairen op Iwo Jima. De hoogste berg van het eiland, berg Suribachi, 166 meter hoog, is van groot strategisch belang en moet verovert worden. Om ongeveer half 11 in de ochtend van 23 februari 1945 veroveren de Amerikanen de berg. Het hele eiland is vijf weken later onder Amerikaanse controle ten koste van ruim 7000 Amerikaanse doden en ongeveer 25.000 gewonden.

Het hijsen van de Amerikaanse vlag op de berg Suribachi.

Om de verovering van de berg te vieren en duidelijk te maken dat Suribachi onder Amerikaanse controle was, werd een Amerikaanse vlag op deze plek gehesen. Hieronder is het plaatsen en hijsen van de eerste vlag te zien. Deze foto is echter minder bekend en iconisch als de foto die gemaakt werd van de tweede vlag. Deze tweede vlag is kort na de eerste neergezet omdat men de eerste vlag te klein vond. Ook was het publicitair een goede actie de heldenmoed en het patriotisme van de Amerikaanse mariniers in vele foto en filmbeelden vast te leggen. Dit kon alleen als het vlagmoment een keer over werd gedaan.

Het plaatsen van de eerste vlag op Iwo Jima

Op de iconische foto van het hijsen van de tweede vlag staan zes mariniers. Dit zijn Harold Schultz, Michael Strank, Franklin Sousley, Rene Gagnon,, Harlon Block en Ira Hayes. Alleen Hayes, Gagnon en Schultz overleefden de strijd op Iwo Jima.  Strank en Block overleden zes dagen na het plaatsen van de vlag. Sousley op 21 maart, vijf dagen voor het einde van de strijd op Iwo Jima.

Zonder de andere mannen tekort te willen doen is marinier Ira Hayes de meest interessante persoon van deze groep. Hayes was een, op het moment van het hijsen van de vlag, 22-jarige Indiaan ofwel Native American van de Pima stam afkomstig uit Arizona. Hoe verloopt het leven van een Indiaan die van het ene op het andere moment een Amerikaanse held is met alle roem, druk en verwachtingen die daarbij horen? Hoe moet het zijn geweest om het heldendom te voelen maar tegelijk te leven in een tijd vol discriminatie en racisme? En hoe reageert familie en de rest van zijn stam op de nieuwe status van één van hen? Interessante vragen die het uitzoeken waar zijn.

Het leven van Ira Hayes voor en na het plaatsen van de vlag op Iwo Jima.

Ira Hayes bij zijn indiensttreding in 1942, 19 jaar oud.

Op 27 maart, na de slag om Iwo Jima, vertrekt de eenheid van Ira Hayes richting Hawaii om hier bij te komen van de gevechten. Hij blijft hier trainen tot half april. Dan moet Ira zich in Washington D.C. melden samen met de twee andere mannen die de vlag hebben gehesen en de gevechten hebben overleefd. Op 20 april ontmoeten de mannen president Truman in het witte huis. Vanaf daar vliegen de mannen door de VS op een zogenaamde ‘bond-tour’. Een rondreis door de VS om bij Amerikaanse burgers geld in te zamelen voor het leger. Deze reis eindigt eind mei 1945. In juni werd Hayes gepromoveerd van soldaat eerste klasse naar korporaal. Van 22 september t/m 26 oktober maakte Ira Hayes onderdeel uit van de Amerikaanse bezettingsmacht in Japan. Hierna volgende een eervol ontslag.

Hayes stond voor de oorlog bekend als een slimme en teruggetrokken jongen. Hij sprak zeer goed Engels en werd, vooral door zijn moeder, aangespoord zich zo goed mogelijk te ontwikkelen. Klasgenoten omschrijven hem als een jongen die alleen spreekt als er tegen hem gesproken werd.

Een pijnlijke gebeurtenis in het leven van de familie van Ira Hayes en andere leden van de Pima stam vind plaats in 1932. Op deze dag worden stamleden uit hun huis gezet door de blanke bestuurders. Ze verliezen niet alleen hun huis maar ook de grond en gewassen die hierbij horen. Deze gebeurtenis is een teken van de status die native Americans op dat moment hebben.

Als Hayes in 1942, uit verantwoordelijkheidsgevoel om zijn land te dienen na de aanval van Japan op Pearl Harbor, in dienst gaat, blijkt hij naast verstand ook veel talent op militair vlak te hebben. De keuze om als Indiaan te gaan dienen in het Amerikaanse leger is, zeker met oog op wat de Indianen en ook de stam en familie van Hayes door de Amerikaanse staat is aangedaan, een bijzondere te noemen. Ira Hayes kiest echter bewust en voelt het als zijn plicht iets te doen. Hij heeft tijdens de trainingen veel discipline en toont zich een uitstekend militair. Hij meldt zich vrijwillig aan bij de zogenaamde ‘para-marine’, de elitetraining om parachutist te worden binnen het korps mariniers. Ook onder zijn mede-mariniers, blank en zwart, is Hayes een bijzondere maar ook bijzonder populair. Al snel krijgt hij de bijnaam ‘Chief falling cloud’. 11 maanden na het afronden van zijn training zet Ira Hayes voet aan land op het Japanse eiland Iwo Jima met alle gevolgen die dit uiteindelijk met zich mee zal brengen.

Na de oorlog probeerde Ira Hayes een normaal leven op te bouwen. Dit is door zijn bekendheid en heldenstatus echter heel erg moeilijk. Dagelijks krijgt hij honderden brieven uit het hele land waarin mensen hun waardering uitspreken, hem prijzen maar ook brieven met verzoeken, uitnodigingen en vragen. Daarnaast worden Hayes en de twee andere overlevende mannen van de beroemde foto door de Amerikaanse overheid als levende reclameborden ingezet om geld op te halen. Ze bezoeken in twee jaar meer dan 32 steden. Het is geen keuze voor Ira Hayes, hij voelt dit als een plicht. Hayes verandert van een rustige normale jongen in een toeristische trekpleister. Ook zijn thuisgebied, het reservaat van zijn Indianenstam, verandert in een bedevaartsoord. Vele duizenden bewonderaars stromen het gebied van de Pima stam binnen op zoek naar Ira Hayes. Dit heeft grote impact, niet alleen op het privéleven van Hayes maar ook op de rust van zijn familie en stam.

Naast de impact op zijn eigen privéleven, zijn familie en zijn stam heeft het nieuwe leven van Hayes ook grote metalen gevolgen. Na de tweede wereldoorlog is er geen aandacht voor het begeleiden van militairen die, net als hem, vreselijke dingen hadden gezien en meegemaakt. De psychische gevolgen van oorlog worden volledig genegeerd. Tijd voor enige verwerking heeft Ira Hayes niet. Hij voelt een enorm schuldgevoel. Een schuldgevoel over het feit dat velen de slag om Iwo Jima niet hebben overleefd en dat hij als een soort mascotte overal als held aanwezig is. Slechts 27 van de 250 mannen uit de company van Ira Hayes overleven de gevechten op Iwo Jima zonder verwondingen. Uit het peloton van Hayes overleven zeven van de 45 het geweld. Hayes is niet de persoon om zichzelf als held te zien en niet de persoon om te genieten van alle complimenten en aandacht. Hoe kun je genieten van alle feesten en mensen die jou als held zien als zoveel ouders huilen om hun omgekomen zoon? Toch moet hij dit nieuwe leven, deze sterrenstatus, ondergaan. Naarmate de tijd vordert krijgt hij hier steeds meer moeite mee. Het schuldgevoel neemt toe, begeleiding is er niet. Hayes voelt zich alleen en verraden door het land wat hij diende en nog steeds dient.

Hayes wijst zichzelf aan op de beroemde foto (1945)
Ira Hayes in 1947 op bezoek bij de burgemeester van Los Angeles

Filmrol 1949.

Ondanks de druk en stress die het nieuwe leven hem opleveren kiest Ira Hayes ervoor om in 1949 mee te spelen in een oorlogsfilm (Sands of Iwo Jima). Hij speelt zichzelf in deze film waar ook John Wayne een grote rol in speelt. Deze film, hoewel een erkenning van zijn heldenrol tijdens de tweede wereldoorlog, levert hem nog meer aandacht op. Waarom hij, ondanks het feit dat hij worstelt met deze status en aandacht, kiest mee te spelen in de film is niet duidelijk.

De teloorgang van een held tegen wil en dank.

Na 1949 gaat het snel slechter met Hayes. Hij is niet in staat voor langere tijd een baan te houden. Om zijn psychische pijn te verzachten gaat hij veel drinken. Dit heeft tot gevolg dat hij regelmatig met politie en justitie in aanraking komt en tientallen keren in de cel terecht komt. De grote oorlogsheld die nooit held wilde zijn verandert in een rondzwervende alcoholverslaafde.

Op 24 januari 1955 vindt men Ira Hayes dood op een stoep in de buurt van zijn huis in Arizona. Slechts 32 jaar oud en minder dan 10 jaar nadat hij de vlag op Iwo Jima plaatste. Hayes wordt met volledige militaire eer begraven op de nationale begraafplaats Arlington vlakbij Washington D.C.

Het eerbetoon van Johnny Cash.

The ballad of Ira Hayes, geschreven door Peter La Farge, komt in 1964 op het album van de populaire country-zanger Johnny Cash te staan. In dit lied bezingt hij kort het leven en het trieste einde van Hayes. Hieronder de tekst.

Ira Hayes
Ira Hayes
Call him drunken Ira Hayes
He won’t answer anymore
Not the whiskey drinking Indian
Or the marine that went to war
Gather ’round me people
There’s a story I would tell
‘Bout a brave young Indian
You should remember well
From the land of the Pima Indian
A proud and noble band
Who farmed the Phoenix Valley
In Arizona land
Down the ditches a thousand years
The waters grew Ira’s peoples’ crops
‘Til the white man stole their water rights
And the sparkling water stopped
Now, Ira’s folks were hungry
And their land grew crops of weeds
When war came, Ira volunteered
And forgot the white man’s greed
Call him drunken Ira Hayes
He won’t answer anymore
Not the whiskey drinking Indian
Or the marine that went to war
There they battled up Iwo Jima hill
Two hundred and fifty men
But only twenty-seven lived
To walk back down again
And when the fight was over
And Old Glory raised
Among the men who held it high
Was the Indian, Ira Hayes
Call him drunken Ira Hayes
He won’t answer anymore
Not the whiskey drinking Indian
Or the marine that went to war
Ira Hayes returned a hero
Celebrated through the land
He was wined and speeched and honored
Everybody shook his hand
But he was just a Pima Indian
No water, no home, no chance
At home nobody cared what Ira’d done
And when did the Indians dance
Call him drunken Ira Hayes
He won’t answer anymore
Not the whiskey drinking Indian
Or the marine that went to war
Then Ira started drinking hard
Jail was often his home
They let him raise the flag and lower it
Like you’d throw a dog a bone
He died drunk early one morning
Alone in the land he fought to save
Two inches of water and a lonely ditch
Was a grave for Ira Hayes
Call him drunken Ira Hayes
He won’t answer anymore
Not the whiskey drinking Indian
Or the marine that went to war
Yeah, call him drunken Ira Hayes
But his land is just as dry
And his ghost is lying thirsty
In the ditch where Ira died
 

Death, be not proud (Holy Sonnet 10), door John Donne.

Een duiding van dit gedicht.

Het gedicht verscheen voor het eerst als “Holy Sonnet X” in een verzameling van negentien sonnetten van John Donne (1572-1631). Later werd het beter bekend als “Death, be not proud”, de eerste vier woorden van het gedicht. Het gedicht werd geschreven tussen 1601 en 1610 en postuum gepubliceerd in 1633. In de periode dat dit gedicht ontstond, werd John Donne getroffen door een ernstige ziekte, hoogstwaarschijnlijk tyfus, die hem dicht bij de dood bracht. De vergankelijkheid van de mensheid werd hem duidelijk gemaakt in deze periode en dat is terug te vinden in veel van zijn gedichten.

In “Death Be Not Proud” probeert Donne de vrees voor de dood weg te redeneren. Hij was bang om te overlijden aan zijn ziekte en dit gedicht hielp hem zijn angst weg te nemen. De vergankelijkheid en de vluchtigheid van het mensenleven en de onvermijdelijke dood zijn belangrijke thema’s in dit gedicht.  

John Donne probeert in het gedicht te vechten tegen zijn angstgevoel door de dood en deze, op dat moment wellicht naderende dood, minder aanzien en zwaarte te geven. De dood mag wel denken dat hij de meeste macht bezit, maar eigenlijk is dat volgens Donne maar schijn.

Death, be not proud, though some have called thee

Dood, wees niet trots, ook al zijn er die je

Mighty and dreadful, for thou art not so;

Machtig en angstaanjagend noemen, want dat ben je niet;

De spreker praat hier tegen de dood. Hij zegt tegen de dood dat hij niet te trots moet zijn op zijn macht. De dood heeft geen macht, want dood betekent volgens hem niet het einde.

For those whom thou think’st thou dost overthrow

Want zij die je denkt te hebben ten val gebracht

Die not, poor death, nor yet canst thou kill me.

Zij sterven niet, arme dood, noch kan jij mij doden.

From rest and sleep, which but thy pictures be,

Als van rust en slaap, die slechts jouw afbeeldingen zijn,

Thou art slave to fate, chance, kings, and desperate men,

Jij bent de slaaf van het lot, toeval, koningen en van de radelozen,

And dost with poison, war, and sickness dwell,

Jij bent waar gif, en oorlog, en ziekte zijn,

De dood brengt slechts rust en slaap. Op zichzelf is de dood helemaal niet sterk, want hij is afhankelijk, zoals een slaaf, van allerlei andere krachten: van het lot, toeval, koningen, en wanhopige mannen die in de dood wegvluchten. De dood heeft daar zelf geen controle over.

And poppy or charms can make us sleepe as well

Papaver en betovering doen ons evengoed slapen

And better than thy stroke; why swell’st thou then?

Beter nog dan jouw aanraking; waarom dan snoef je zo?

One short sleep past, we wake eternally,

Een korte slaap slechts, en we worden voor eeuwig wakker,

And death shall be no more; Death, thou shalt die.

En de dood zal er niet meer zijn; Dood, Gij zult sterven.

Een andere visie op de dood.

Donne legt uit dat slaap eigenlijk een vorm van dood is en omdat slaap aangenaam is, zal de dood dat zelfs nog in grotere mate zijn. Zelfs als de dood een fijne slaap brengt, zijn er andere middelen, de spreker noemt hier drugs, die nog beter kunnen zorgen voor rust en voldoening en dus daarin de dood kunnen overtreffen.

Ten slotte voorspelt de spreker het einde van de dood zelf, met de uitspraak: “Dood, Gij zult sterven.” De dood zal er niet meer zijn, aangezien de dood het eeuwige leven met zich meebrengt. Dus, dood, wees maar niet te trots op wat je bent, wij hoeven je niet te vrezen.

John Donne 1572- 1631

De roerige verhouding tussen de Ieren en de Engelsen

De Shamrock; het Ierse klavertje drie, nationaal symbool

De Tudor-dynastie is om verschillende redenen vrij bekend bij veel mensen. Natuurlijk kennen de meeste mensen het schrikbewind van Hendrik de VIII, die met zijn scala aan huwelijken een spoor van vernielingen achterliet, en de Engelse schatkist vanwege de vele oorlogen die hij voerde, en de geldverslindende hofhouding en toernooien die hij er op na hield zwaar uitputte. Maar Hendrik VIII stichtte daarnaast ook de Anglicaanse kerk, waaruit de protestantse variant van de Engelse kerk zou ontstaan.

Overeind gebleven in, en als winnaars uit de strijd gekomen na de rozenoorlog tussen het huis Lancaster en het huis York (1455-1485), legde de dynastie het fundament voor de latere (uit)bouw van het Britse wereldrijk. De Tudors zijn echter ook verantwoordelijk voor het ontstaan van het langstlopende conflict op de Britse eilanden, die tussen de protestanten en katholieken. De geschiedenis daaromtrent is even complex als interessant.

Hier werd de reformatie van bovenaf opgelegd en kwam niet, zoals elders in Europa, op uit een volksbeweging. De Tudors zorgden voor een kolonisatiepolitiek in Ierland, het eiland dat door de Engelse overheerser al sinds de 12e eeuw gedomineerd werd. Hendrik VIII wist de Ierse adel aan zich te onderwerpen en de Anglicaanse leer werd tot staatsgodsdienst verheven in Ierland. De katholieke missen werden later verboden en diegenen die het waagden deze toch bij te wonen, moesten het bekopen met gebiedsonteigening waarbij het gebied vervolgens over ging naar Engelsgezinde protestanten. Het opstandige katholieke Ierland, moest door toedoen van deze politiek onder de duim gehouden worden. Groot voordeel was dat dit een redelijk goedkope oplossing leek voor de Engelsen.

Hendrik VIII, naar een portret door Hans Holbein ca. 1540 (van: EnglishHistory.net)

De Ieren bleven echter weerstand bieden tegen de Engelse overheersing, met name buiten het gebied dat “The Pale” wordt genoemd; het gebied rondom de huidige hoofdstad Dublin. Dit gebied was in handen van de Engelse koning als leenheer. Onder Elizabeth I van Engeland werden katholieken zwaar vervolgd wat als oorzaak ook had dat zij in strijd was met zowel de paus, als het katholieke Spanje van Filips II. Hier, aan het einde van de middeleeuwen, ligt de basis voor het conflict tussen katholieken en protestanten in dit gebied dat onder de invloedssfeer van de Engelse kroon viel. En Ierland was en is al sinds de 5e eeuw overwegend katholiek.

In 1641 kwamen de Ieren massaal in opstand en ongeveer 12.000 Engelse kolonisten werden hierbij gedood. De wraak van de Engelsen liet niet lang zich op zich wachten, toen Oliver Cromwell een strafexpeditie zond om de gedode protestanten te wreken en de Ierse slachtoffers hun gebied wederom te onteigenen. Dit ging zo ook met regelmaat door in de daaropvolgende eeuwen. Verder zorgden een aantal wetten er voor, zoals de Test Act bijvoorbeeld, dat katholieken geen ambten mochten vervullen, onderwijs mochten genieten, of land konden bezitten. The Act of Union zorgde er in 1800 voor dat Ierland officieel werd ingelijfd bij het Verenigd Koninkrijk.

Situatie Dublin vóór de paasopstand 1916 (van: National Library of Ireland)
Dezelfde plek na de paasopstand, 1916 (van: National Library of Ireland)

In de 19e eeuw leefden de arme Ierse pachtboeren een erbarmelijk bestaan. Hun landheren kenden ze eigenlijk niet, maar ze konden zichzelf amper bedruipen en in leven houden dankzij de aardappelen die ze konden verbouwen. Toen in 1845 en de daaropvolgende jaren telkens de aardappeloogsten mislukten wegens een aardappelziekte, betekende dat een gewisse dood voor bijna een miljoen Ieren. Gevolg hiervan was ook dat de voedselprijzen enorm stegen, daar de oogsten elders in Europa ook waren mislukt. Daarnaast bleven de landheren ondertussen goed voor zichzelf zorgen, veilig zetelend in Engeland of in de grote stad. De Ieren werden aan hun lot overgelaten. Ter illustratie; in 1840 telde de Ierse bevolking ca. 8 miljoen mensen, terwijl er dit direct of indirect als gevolg van deze misoogsten rond 1900 nog maar 3.5 miljoen waren. Velen van hen emigreerden naar Amerika, in de hoop op een beter leven aldaar. Naar schatting 2 miljoen Ieren zochten in de loop van de 19e eeuw hun heil overzees. De overtocht was zeker een hoog risico. Je ging niet voor je lol aan boord, als je het je al kon veroorloven. Ziekten eisten een hoge tol, eenmaal aan boord. De haaien zwommen achter de schepen vol emigranten aan naar verluidt, omdat er zoveel doden aan boord vielen waarop de lijken overboord gegooid werden. De meeste Ieren vonden hun plek aan de Oostkust van de Verenigde Staten; wie op 17 maart in Boston vertoefd zal hier alles van merken.

Ierse immigranten arriveren op Ellis Island, NY, jaartal onbekend

De massale exodus van Ieren naar landen overzee had overigens wel verrregaande politieke consequenties voor Ierland. De achtergeblevenen zouden zich in 1922 onafhankelijk verklaren; te lang waren ze niet gehoord door de Engelse regering. Het noordelijk deel bleef onder Brits bewind en vormde geen onderdeel van de Republiek Ierland, maar werd Noord-Ierland. Aan het begin van de 20e eeuw groeide het nationalisme onder de Ieren, die de aanpak van de Ierse politiek niet afdoende vonden, en zich meer gehoord voelden binnen de meer radicale aanpak van Sinn Fein; die oorspronkelijk voor een dubbelmonarchie naar Oostenrijk-Hongaars model pleitte maar al snel werd overgenomen door republikeins nationalisten en hiermee een duidelijk steviger koers voerden. Al in 1916 brak er een grote opstand uit tijdens de paasweek van dat jaar. De opstand werd in de kiem gesmoord, maar de toon was gezet voor de weg naar oorlog met de Engelsen.

Engelse paramilitaire vrijwilligers op patrouille 1922

In ons volgende blog gaan we dieper in op de ontstaansgeschiedenis van de IRA, de strubbelingen tussen de IRA en haar politieke tak, Sin Feinn en de interne verdeeldheid onder de Ieren. Sinn Fein heeft altijd gestreefd naar een verenigd Ierland. Dit streven is echter omfloerst met een zeer pijnlijk verleden waarin we dus in ons volgende blog over dit onderwerp verder inzoomen.