Misschien wel de beste ridder ooit.

In de geschiedschrijving noemen historici William Marshal vaak als de beste ridder die ooit leefde. De succesvolle Engelse ridder en graaf van het graafschap Pembroke diende vijf koningen, won vele riddertoernooien en was de beschermheer van jonge koning Henry III. William speelde vanaf zijn jonge jaren tot aan zijn dood in 1219 een belangrijke rol in de Engelse geschiedenis. De vraag is echter of deze titel en de eer hiervan terecht aan William Marshal worden toegeschreven..

Want er is nóg een kandidaat die de titel ‘beste ridder ooit’ zou kunnen dragen. Een man van bescheiden afkomst die uitgroeide tot één van de belangrijkste ridders en legerleiders van het Franse leger tijdens de 100-jarige oorlog (1337-1453). Een legendarische ridder met de bijnaam ‘De arend van Brittannië’. Een man waarbij mythes en waarheden over zijn leven door elkaar lopen. Wat was dit voor een man en hoe verliep zijn leven? En verdient deze man de titel ‘de beste ridder ooit’ ten koste van William Marshal?

De zware jonge jaren van Bertrand.

Bertrand du Guesclin werd geboren omstreeks 1320 op landgoed Motte-Broons. Dit thans verdwenen landgoed lag in het noordwesten van Frankrijk, regio Bretagne. De familie du Guesclin was van lage adel en leende, zoals zo vaak gebeurde in de Middeleeuwen, het stuk grond waarop ze leefden. In diverse boeken wordt Bertrand beschreven als een ongeletterde, boerse en volgens sommige bronnen zelfs lelijke jongen. Een uit de kluiten gewassen lompe jongeman. Hoewel schoonheid een kwestie van smaak is, had Bertrand in zijn jeugd wel veel last van zijn voorkomen en uiterlijk. Zoals de kroniekschrijver Cuvelier schrijft: “Zijn vader en moeder haatten hem zo erg, dat ze diep in hun hart vaak wensten dat hij dood of verdronken was.” De verachting, vernedering en schijnbare onrechtvaardigheid waarmee hij zijn gehele kindertijd te kampen had gehad, uitte zich in ongehoorzaamheid, koppigheid en opstandigheid en in zijn vurige, ontembare karakter. Hij zou volgens sommige bronnen tijdens de banketten niet aan de grote tafel bij zijn ouders en broers mogen eten en moest aan de zijkant van de eetzaal plaatsnemen. Volgens andere bronnen zou hij zelfs verstoten zijn door zijn ouders vanwege zijn uiterlijk. Bewijs voor deze bewering heb ik nergens kunnen vinden. In ieder geval had hij een zeer zware jeugd en leek Bertrand du Guesclin in zijn jonge jaren in niets op de legende die hij ooit zou worden. Hoewel, vanaf negenjarige leeftijd organiseerde hij gevechten tussen jonge jongens op het landgoed van zijn vader. Hij gaf bevelen en liet de jongens deze direct opvolgen. Zijn vader, Robert, was hier niet blij mee en liet Bertrand zelfs enige tijd opsluiten. Misschien zag men hier wel voor het eerst tekenen van de legerleider die Bertrand ooit zou worden.

Beeld van Bertrand du Guesclin als kind.

Een dappere ridder staat op.

In 1337 nam Bertrand du Guesclin deel aan zijn eerste riddertoernooi. Hij was op dat moment 17 jaar oud. Omdat de vader van Bertrand weigerde geld uit te geven om voor zijn zoon een harnas en wapens te kopen, moest hij deze lenen van een ander familielid. Tijdens het toernooi in Rennes maakte hij, onherkenbaar door zijn geleende harnas en paard, indruk en wist hij menig spel te winnen. Zijn vader nam ook deel aan dit toernooi en daagde de onbekende strijder uit voor een gevecht. Volgens de overlevering zette Bertrand zijn helm af. Zijn vader zag hem en was blij verrast dat zijn zoon de onbekende ridder was, en bezwoer hem nooit meer zo slecht te behandelen.

Bertrand als ridder tijdens het toernooi in Rennes.

Bertrand als legerleider.

In ditzelfde jaar stierf de Franse koning en daarmee het koningshuis van de familie Capet. De machtsstrijd om de Franse kroon die daarop volgde noemen wij de 100-jarige oorlog. Du Guesclin was op dit moment net volwassen en hoopte dat hij een kans kreeg zich in deze oorlog te onderscheiden in gevechten. Dit lukte de eerste jaren van de oorlog niet echt. Bertrand nam geen deel aan de eerste grote veldslagen van de 100-jarige oorlog maar vocht slechts in kleine plaatselijke gevechten. Zijn machtspositie veranderde echter in 1353, het jaar dat zijn vader, Robert du Guesclin, overleed. Bertrand erfde het landgoed en een groot deel van het kapitaal van zijn vader. Volgens de overleveringen huurde hij een leger van ongeveer 60 ridders in met wie hij in de bossen van Bretagne gevechten leverde met Engelse soldaten. Hij gebruikte hier technieken die we tegenwoordig guerrilla-technieken zouden noemen. Snelle aanvallen, chaos scheppen en weer verdwijnen in de bossen. Hoewel het op deze manier vechten tegen alle ridderlijke waarden en regels inging, bleek het wel zeer effectief en ontwikkelde zich al snel mythevorming rond het huurlingenleger van Bertrand. De basis voor zijn bijnaam; ‘De arend van Brittannië’ was gelegd.

Bertrand op de leeftijd dat hij steeds meer macht en aanzien krijgt.

Officieel ridder.

Tijdens de 100-jarige oorlog streden er ook twee partijen om de macht in de provincie Bretagne. In deze mini-oorlog binnen de grotere oorlog koos du Guesclin de kant van de door de Franse koning gesteunde Charles du Blois. Toen de Engelsen in april 1354 het kasteel van Montmuran belegerden nam du Guesclin met zijn huurlingenleger deel aan het ontzetten van dit kasteel. De belegering werd opgeheven en het kasteel bleef Frans. Als beloning werd hij geridderd door de Franse koning. Hiermee nam zijn status enorm toe.

De rol van du Guesclin tijdens de 100-jarige oorlog.

De legende van Bertrand du Guesclin groeide de jaren daarna snel. Het hoogtepunt was het ontzetten van de stad Rennes tussen 1356 en 1357. Rennes nam een sleutelpositie in noord-Bretagne in en als die stad zou vallen was er voor de rest van Bretagne ook geen houden aan. Het bevel over de Engelse belegeraars van Rennes lag in handen van hertog Henri van Lancaster, een jongere broer van de Engelse koning. Door middel van het gebruiken van diplomatie, handige trucjes en goede tactieken bliezen de Engelsen na enkele maanden de aftocht, overtuigd dat een langere belegering niet zinvol is. Een voorbeeld van één van deze handigheidjes was het plan van du Guesclin om een aantal hooggeplaatste Engelsen uit te nodigen voor een diner in de stad. Officieel om met hen te kunnen onderhandelen, maar eigenlijk vooral om hen te laten zien dat het goed ging met de stad. Hoewel de belegering al enkele maanden duurde en het eten nagenoeg op was, werd het laatste eten gebruikt om een groots diner voor te kunnen zetten aan de Engelsen. Deze waren hierdoor overtuigd dat het eten in de stad nog lang niet op was en dat de belegering weinig zinvol was geweest. Hierna werd de belegering afgebroken en trokken de Engelsen zich terug.

In 1364 ging het voor de door Bertrand du Guesclin en Franse koning gesteunde Charles du Blois vreselijk mis. In de slag bij Auray werden ze verslagen door de Engelse legers. Du Blois kwam om in de strijd en du Guesclin moest zich overgeven. Hij werd gevangen genomen door de Engelsen. De Franse koning Karel V betaalde persoonlijk de 100,000 Franc losgeld om hem vrij te kopen. Dit zegt iets over de band die du Guesclin had met de Franse koning en hoe belangrijk hij was voor het Franse leger.

Koning Karel V (de wijze) van Frankrijk.

Voor het vaderland naar Spanje.

Tussen 1366 en 1370 stuurde de Franse koning Bertrand naar Spanje. Legers van Spaanse koninkrijkjes, Engeland en Frankrijk waren met elkaar slaags geraakt. Ook hier vocht Bertrand du Guesclin met een klein huurlingenleger namens Frankrijk tegen de Engelsen. Hoewel hij nog een keer krijgsgevangene werd gemaakt en wederom werd vrijgekocht door de Franse koning, wist hij er uiteindelijk voor te zorgen dat de Engelse troepen zich terugtrokken uit Spanje. Met de titel “Graaf van Molina” op zak keerde du Guesclin terug naar Frankrijk waar in de oorlog met Engeland een nieuwe hevige fase was aangebroken. 

Terug in Frankrijk.

Eenmaal terug in Frankrijk benoemde de Franse koning Karel V hem tot de belangrijkste militaire leider van het land. Er was regelmatig direct contact voor tactisch en strategisch overleg tussen de koning en du Guesclin. Bertrand du Guesclin was nu één van de machtigste mensen in Frankrijk. Omdat deze positie altijd werd gegeven aan iemand van hoge adel, was du Guesclin een uitzondering. Een enorme eer en verantwoordelijkheid. In de standenmaatschappij welke Frankrijk op dat moment had was het voor de adel van Frankrijk niet gemakkelijk te accepteren dat dit ambt bekleed werd door iemand van lage adel. Tijdens zijn tijd als militair leider had du Guesclin dan ook constant moeite de Franse adel onder controle te houden. Van een soepele samenwerking was nooit sprake. Dit ondanks het feit dat hij steeds weer bewees een briljant tacticus en legerleider te zijn. Zo veroverde hij de provincies Poitou, met als hoofdstad Poitiers en Saintonge, beide in het westen van Frankrijk. De Engelse legers werden hier zo verpletterend verslagen dat de Engelse prins Edward of Woodstock, ook wel de ‘Black Prince’ genoemd, zich terugtrok uit Frankrijk.  Betrand du Guesclin wist de Engelsen uit een groot deel van Frankrijk te jagen en liet de Franse marine zware aanvallen uitvoeren op de Engelse kust. De Fransen konden hierdoor steeds meer uit hun verdedigende posities komen en de Engelsen stad voor stad terugdringen.

Het laatste gevecht.

In 1373 boekte du Guesclin zijn laatste grote overwinning op de Engelsen. Dit was tijdens de slag om Chitzé. Deze stad, gelegen aan de westkust van Frankrijk, werd bezet door het Engelse leger. Du Guesclin liet zijn legers de stad belegeren. Toen de Engelsen een leger naar de stad stuurden om de belegering op te heffen werd dit leger door du Guesclin opgewacht en verslagen. Wederom maakt hij hier gebruik van zijn kenmerkende stijl en tactiek tijdens de gevechten. Hij vermeed een oorlog in open veld, en voerde verrassingsaanvallen uit om de vijand te verzwakken en vervolgens te verslaan. De stad werd ontzet en was weer onder Franse controle. Hiermee eindige de Engelse dominantie in het westen van Frankrijk.

Overlijden en begrafenis van du Guesclin.

Du Guesclin overleed na een kort ziekbed in 1380 tijdens het belegeren van de stad Châteauneuf-de-Randon, bij Mende in het Zuid-Franse Département Lozère. Hij werd 60 jaar oud. Na deelgenomen te hebben aan zeven grote veldslagen waarvan twee als leider van het Franse leger, was zijn veldtocht voorbij.

Rouw na het overlijden van Bertrand du Guesclin.

Volgens zijn wens werd zijn gebalsemde lichaam overgebracht naar Dinan in de provincie Bretagne. In de zuid-Franse stad Le Puy werd zijn lichaam gebalsemd. De ingewanden van du Guesclin werden bijgezet in de plaatselijke kerk. De rouwstoet trok verder in noordelijke richting. Een aantal dagen later bleek dat de balseming niet goed was gelukt. Het lichaam begon te ontbinden. Het vlees werd van de botten gescheiden om verdere ontbinding te voorkomen. Het lichaamsvlees van du Guesclin werd begraven in Clermont-Ferrand. De rouwstoet trok verder noordwaarts met het skelet en het hart. Vlakbij Parijs bracht een officier het koninklijk bevel dat het lichaam van du Guesclin in Saint Denis, een buitenwijk van Parijs, moest worden begraven en niet in Dinan zoals hij zelf wilde. Zijn overblijfselen werden hier dan ook begraven. Het hart ging terug naar Dinan, de plek waar du Guesclin vandaan kwam en veel van zijn gevechten had uitgevochten. Hij was thuis. Zijn tactieken werden door de Franse legers nog eeuwenlang gebruikt, zo zou ook Jeanne d’Arc de guerrillatactieken van Bertrand du Guesclin hebben gebruikt.

Misschien wel de beste ridder ooit?!

Du Guesclin groeide uit van een jongen die zelfs door zijn ouders minacht werd tot de legerleider van Frankrijk. Een winnaar van riddertoernooien, briljant strateeg en vertrouweling van de Franse koning. Ondanks alle tegenslagen wist hij zijn stempel te drukken op de 100-jarige oorlog. Op de vraag of hij ten koste van William Marshal de betere ridder is verschillen de meningen (hoe kan het ook anders). Ook het palmares van William Marshal is imposant, vooral ook als het gaat om behaalde overwinningen in toernooigevechten. Buiten kijf staat dat het twee uitmuntende ridders zijn geweest.

Het gezicht van Bertrand zoals in steen te zien is op zijn grafmonument in Dinan.



De waanzinnige paus Stefanus VI.

Het bekleden van de functie van paus, de leider van de katholieke kerk, was tijdens de middeleeuwen en renaissance niet gemakkelijk. Het was een wereld vol corruptie waarbij gevaar van zowel buiten de kerk als van binnenuit de kerk constant aanwezig was. In deze periode in de geschiedenis zijn er veel pausen te noemen die we vandaag de dag als gestoorde machtswellustelingen zouden omschrijven. Zo ook Stefanus VI. Het verhaal van Stefanus VI gaat echter nog verder dan die van veel andere pausen. Waarom is Stefanus VI slechts één jaar paus geweest? Wat dreef deze paus om ruzie te maken met zijn overleden voorgangers?

Het pausschap van Stefanus VI.

Stefanus VI word tot paus gekozen in het jaar 896. Het is een onrustige tijd in Europa. Families in Italië vechten om macht, invloed en aanzien. Het kunnen aanwijzen van een paus of, nog beter, het hebben van een paus binnen de eigen familie, geeft de families extra aanzien. Er is daardoor hevige concurrentiestrijd om deze, meeste heilige, positie.

De precieze omstandigheden waaronder Stefanus VI is verkozen tot paus zijn niet duidelijk. Waarschijnlijk is hij door de invloedrijke familie Spoleto naar voren geschoven als hun kandidaat. Stefanus VI is de opvolger van één van de kortst zittende pausen Bonifatius VI. Na een pausschap van slechts 15 dagen overlijd Bonifantius VI onder verdachte omstandigheden, hoogstwaarschijnlijk om plaats te maken voor Stefanus VI. Deze snelle opvolging van pausen, soms slechts enkele maanden in functie, zegt veel over de machtsstrijd om dit ambt en daarmee ook het gevaar dat iedereen die dit ambt bekleedde liep.

Paus Stefanus VI.

De kadaversynode.

Stefanus VI staat niet bekend om zijn goede daden of grootse kerkhervormingen. Hij staat vooral bekend om zijn enorme woede ten aanzien van één van zijn voorgangers Formosus die paus was tussen 891 en 896. Deze woede en afkeer leidde tot een bizar proces waarbij de dan al weken dode paus zich moet verantwoorden voor een tribunaal. Dit is de zogenaamde kadaversynode.  

Paus Formosus I. 

Om het proces te kunnen laten plaatsvinden is het in de Sint Pieterskerk begraven lichaam van Formosus opgegraven. Het lichaam, acht maanden daarvoor overleden en reeds in behoorlijke staat van ontbinding, werd naar de kerkelijke rechtbank gebracht voor het proces. Daar werd het lichaam op een troon geplaatst en aangeklaagd wegens fraude en handelingen in strijd met de kerkelijke wetten, waaronder het verkrijgen van de pauselijke titel op illegale wijze. Aanklager was paus Stefanus VI zelf. Omdat hij het proces tot synode had aangemerkt waren hoge geestelijken verplicht aanwezig te zijn. Het woord namens de overleden Formodus werd gevoerd door een deken, een geestelijke die uiteraard op de hand was van zijn religieus leider, de paus.

Aanleiding voor het proces.

Paus Formosus (816-896), wiens geboortenaam in de loop der eeuwen verloren is gegaan, was een van de meest veelbelovende talenten binnen de Katholieke Kerk van de 9e eeuw. Hij was geliefd, met name in Oost-Europa en was namens de kerk een zeer vaardige diplomaat. Deze populariteit leverde hem niet alleen lof op. Hij werd door de paus op dat moment, paus Johannes VIII, gezien als een gevaar voor diens positie. In 872 werd Formusus, jaren voor hij paus werd in 891, officieel aangeklaagd door Johannes VIII. De aanklacht luidde: ‘het corrumperen van de geesten van de Bulgaren’ en ‘het ondermijnen van de pauselijke zetel’. Formosus wachtte de rechtszaak niet af en ontvluchtte Italië. De paus besloot hem daarop uit de kerk te zetten. Na enkele jaren en excuses kwam het goed tussen Formosus en paus Johannes VIII en de belofte te maken dat Formosus nooit meer een kerkelijke functie uit zou oefenen kon hij terugkeren bij de kerk.

Na het overlijden van paus Johannes VIII werd Formosus echter weer gevraagd om voor de kerk aan het werk te gaan. Enkele jaren later werd hij zelfs unaniem gekozen tot paus. Tijdens zijn vijfjarige pausschap laaide een grote machtsstrijd op tussen de Franken en het Heilige Roomse Rijk. De Paus koos daarbij de kant van de Frankische koning Arnulf van Karinthië, waarmee hij zich automatisch tegen Guido III van Spoleto, de Keizer van het Heilige Roomse Rijk, keerde. Hier ligt de kiem voor het conflict tussen de paus Formosus en de latere paus Stefanus VI. Toen Stefanus VI in 896 paus werd wilde hij zijn trouw bewijzen aan de familie die hun macht had gebruikt om hem het pausschap te bezorgen, de Spoleto familie. Een manier om zijn dankbaarheid en trouw te tonen is de naam en reputatie van één van de grote vijanden van deze familie, voormalig paus Formosus, te beschadigen. Gevolg hiervan is het bizarre proces dat nu bekend staat als het kadaver proces.

Het kadaversynode in beeld. Rechts de overleden paus Formosus, in het midden de rechter en links de aanklager, paus Stefanus VI.

De uitkomst van het proces.

In dit schijnproces kon er maar één vonnis zijn. Formosus’ officiële daden als paus werden tijdens de kadaversynode ongeldig verklaard. De drie vingers van zijn rechterhand waarmee hij wijdingen had verricht, werden afgehakt. Zijn lichaam werd opnieuw begraven, vervolgens nogmaals opgegraven en in de rivier de Tiber gegooid. Een kluizenaar haalde het daaruit en begroef het weer. Stefanus’ opvolger paus Theodorus II groef het lichaam weer opnieuw op en liet het bijzetten in de Sint-Pieterskerk.

Death, be not proud (Holy Sonnet 10), door John Donne.

Een duiding van dit gedicht.

Het gedicht verscheen voor het eerst als “Holy Sonnet X” in een verzameling van negentien sonnetten van John Donne (1572-1631). Later werd het beter bekend als “Death, be not proud”, de eerste vier woorden van het gedicht. Het gedicht werd geschreven tussen 1601 en 1610 en postuum gepubliceerd in 1633. In de periode dat dit gedicht ontstond, werd John Donne getroffen door een ernstige ziekte, hoogstwaarschijnlijk tyfus, die hem dicht bij de dood bracht. De vergankelijkheid van de mensheid werd hem duidelijk gemaakt in deze periode en dat is terug te vinden in veel van zijn gedichten.

In “Death Be Not Proud” probeert Donne de vrees voor de dood weg te redeneren. Hij was bang om te overlijden aan zijn ziekte en dit gedicht hielp hem zijn angst weg te nemen. De vergankelijkheid en de vluchtigheid van het mensenleven en de onvermijdelijke dood zijn belangrijke thema’s in dit gedicht.  

John Donne probeert in het gedicht te vechten tegen zijn angstgevoel door de dood en deze, op dat moment wellicht naderende dood, minder aanzien en zwaarte te geven. De dood mag wel denken dat hij de meeste macht bezit, maar eigenlijk is dat volgens Donne maar schijn.

Death, be not proud, though some have called thee

Dood, wees niet trots, ook al zijn er die je

Mighty and dreadful, for thou art not so;

Machtig en angstaanjagend noemen, want dat ben je niet;

De spreker praat hier tegen de dood. Hij zegt tegen de dood dat hij niet te trots moet zijn op zijn macht. De dood heeft geen macht, want dood betekent volgens hem niet het einde.

For those whom thou think’st thou dost overthrow

Want zij die je denkt te hebben ten val gebracht

Die not, poor death, nor yet canst thou kill me.

Zij sterven niet, arme dood, noch kan jij mij doden.

From rest and sleep, which but thy pictures be,

Als van rust en slaap, die slechts jouw afbeeldingen zijn,

Thou art slave to fate, chance, kings, and desperate men,

Jij bent de slaaf van het lot, toeval, koningen en van de radelozen,

And dost with poison, war, and sickness dwell,

Jij bent waar gif, en oorlog, en ziekte zijn,

De dood brengt slechts rust en slaap. Op zichzelf is de dood helemaal niet sterk, want hij is afhankelijk, zoals een slaaf, van allerlei andere krachten: van het lot, toeval, koningen, en wanhopige mannen die in de dood wegvluchten. De dood heeft daar zelf geen controle over.

And poppy or charms can make us sleepe as well

Papaver en betovering doen ons evengoed slapen

And better than thy stroke; why swell’st thou then?

Beter nog dan jouw aanraking; waarom dan snoef je zo?

One short sleep past, we wake eternally,

Een korte slaap slechts, en we worden voor eeuwig wakker,

And death shall be no more; Death, thou shalt die.

En de dood zal er niet meer zijn; Dood, Gij zult sterven.

Een andere visie op de dood.

Donne legt uit dat slaap eigenlijk een vorm van dood is en omdat slaap aangenaam is, zal de dood dat zelfs nog in grotere mate zijn. Zelfs als de dood een fijne slaap brengt, zijn er andere middelen, de spreker noemt hier drugs, die nog beter kunnen zorgen voor rust en voldoening en dus daarin de dood kunnen overtreffen.

Ten slotte voorspelt de spreker het einde van de dood zelf, met de uitspraak: “Dood, Gij zult sterven.” De dood zal er niet meer zijn, aangezien de dood het eeuwige leven met zich meebrengt. Dus, dood, wees maar niet te trots op wat je bent, wij hoeven je niet te vrezen.

John Donne 1572- 1631

De val van het West-Romeinse Rijk

Val van het West-Romeinse rijk

visigoths_sack_rome

De plundering van Rome door de Visigoten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

door: Ruud Willems

Een van de meest besproken onderwerpen met betrekking tot het dateren van het einde van de oudheid en het begin van de middeleeuwen, is de val van het West-Romeinse Rijk. West-Romeins inderdaad, het grote Romeinse Rijk raakte verdeeld, waarbij het Oost-Romeinse Rijk niet ophield te bestaan voordat het zijn neergang aan het einde van de middeleeuwen kende, wat daarmee weer wordt gezien als een eindpunt van de middeleeuwen en overgang naar de Renaissance. Eén gebeurtenis is echter zelden solo verantwoordelijk voor het einde van een tijdperk. Vaak gaat het hierbij om een reeks gebeurtenissen die over een langere periode leiden tot een kentering van het bestaande.

Zo zou men niet alleen het jaar 476 n. Chr. (Val van het West-Romeinse Rijk waarbij de laatste keizer, Romulus Augustulus wordt afgezet door Odoaker, aanvoerder van Germaanse huurlingen binnen het Romeinse leger) kunnen aanduiden als einde van de oudheid en begin van de middeleeuwen. Men zou net zo goed andere gebeurtenissen kunnen noemen, zoals de plunderingen van Rome in 410 n. Chr en 455 n.Chr. door resp. de Visigoten en de Vandalen, Germaanse stammen op drift geraakt door de komst van de Hunnen in Europa. De vierde eeuw kenmerkte een Romeins Rijk dat zich gedwongen zag Germanen als foederati op te nemen, ingezetenen zonder burgerrecht, maar gedwongen tot (militaire) hulpverlening in ruil voor bescherming en opname binnen de rijksgrenzen. Hiermee trad verder verval in. Het plaatje van de moeilijkheid één gebeurtenis verantwoordelijk te laten worden voor einde en begin van een periode wordt zo snel duidelijk. Hiermee blijft ook de discussie waar de oudheid te laten eindigen, en de middeleeuwen te laten beginnen levendig binnen de geschiedvorsing. Het hangt er van af waar je naar kijkt. De traditie houdt echter 476. n. Chr. aan als overgang, men moet het toch op één of andere manier een jaartal meegeven, dat is handig voor de mensen. Het duiden van de val van het West-Romeinse rijk is echter allesbehalve een makkelijke kwestie, omdat het hier gaat om verschillende aspecten die uiteindelijk zullen leiden tot haar einde. 

Het Christendom

Na de dood van Jezus trokken zijn apostelen er op uit om de leer van Jezus te verkondigen. Eén van de apostelen die hierin het meest fanatiek was, is Paulus geweest, over wie ik eerder heb geschreven. Paulus trok ook naar Rome om daar het christendom te brengen en verwierf er uiteindelijk het martelaarschap. Het christendom was en is in beginsel een pacifistische religie, de Romeinen hadden daarentegen een oorlogsgod, Mars. Daarnaast was het christelijke geloof vooral ook een monotheïstische religie. En dat was in het Romeinse Rijk een probleem, want de Romeinse staatsreligie hing vele goden aan. Van de Romeinen kan gezegd worden dat ze redelijk tolerant tegenover andere religies en gedachtegoed stonden, tenzij men zich geheel onthield aan de Romeinse cultus, welke polytheïstisch van aard was. Christenen werden dan ook, zoals ook de Joden eerder hadden ondervonden tot zij in de eerste eeuw werden erkend door de Romeinse keizer(s), als een gevaar gezien voor de eenheid van de staat. Zij zouden slecht voor de handel zijn want zij joegen de kooplui bij tempels weg waar zij konden. Ook volgden de Romeinen de rituelen van de christenen met argusogen, ze werden gezien als kannibalen want zij aten het vlees en bloed van Christus. Hierdoor werden zij met enige regelmaat blootgesteld aan vervolgingen. Voorbeelden hiervan vinden we in alle drie de eeuwen; in de eerste eeuw bijvoorbeeld door Nero, die christenen bijvoorbeeld gebruikte als fakkels langs de weg, in de tweede onder Marcus Aurelius (177) en in de derde en vierde respectievelijk onder Decius (250), Valerianus(257) en Diocletianus (303). De vervolgingen hielden pas op met het Edict van Milaan in 313, waarbij de religie officieel werd toegestaan binnen het rijk en burgers het recht kregen op vrijheid van godsdienst. Hierdoor kon de aanhang onder de christenen sterk groeien. Steeds meer mensen binnen het rijk werden volger van het christelijk geloof, ook soldaten. Zij kwamen echter in het gedrang met hun geloof en hun professie, omdat deze twee lastig te verenigen waren. Vaak wordt dan ook door historici aangehaald dat met de komst van christendom gaandeweg de militaire slagkracht verder werd ondermijnd.

kristne1-aygmnndforikq9-weqf64g

Christenen worden ter vermaak afgeslacht voor de ogen van een doldriest publiek. Bron: Historia.nl

Tanende macht

Het Romeinse rijk bereikte haar hoogtepunt aan het begin van de derde eeuw (202 n. Chr.) onder keizer Septimius Severus, die met de verovering van Mesopotamië een enorm gebied inlijfde bij het toch al aanzienlijke rijk. Vaak wordt gedacht dat de grootste omvang werd bereikt onder Trajanus, maar dit klopt niet omdat deze zijn gezag in het zelfde gebied niet definitief kon vestigen, hoewel hij er succesvolle invallen pleegde, zo geeft J. Lendering aan in een boekrecensie op zijn weblog Mainzer Beobachter over Maarten van Rossems boek “Het einde van het Romeinse Rijk”. Maar ook hier gold: hoe groter een rijk, hoe lastiger te managen. Een groter rijk heeft meer grenskilometers en meer soldaten nodig en dus meer soldij. Dat betekent verhoging van belastingen. Er konden vanwege de roep om een groter leger ook niet langer louter Romeinse burgers worden geworven voor de krijgsdienst. Steeds vaker waren dit foederati of krijgsgevangen. Verder kenmerkte een groot gedeelte van de derde eeuw zich door interne chaos en burgeroorlogen binnen het rijk. De periode is in de geschiedenis bekend als de crisis van de derde eeuw en de heerschappij van elkaar beconcurrerende soldatenkeizers. Soldaten wezen hun aanvoerder vaak aan in de hoop dat er dan meer soldij zou volgen. Vanwege de interne strijd kwam er veel minder buit binnen dan voorheen. Tot overmaat van ramp werd ook de druk van diverse stammen op de buitengrenzen werd steeds groter. In de Parthen vonden de Romeinen aan hun oostgrenzen een tegenstander om rekening mee te houden. Ze leden een aantal grote nederlagen tegen de Parthen (leefgebied grotendeels hedendaags Iran) tussen het midden van de eerste eeuw v. Chr. en het begin van de derde eeuw n. Chr. en later door toedoen van de opvolgers der Parthen; het Sassanidische Rijk. Ook in het westen werden invallen van barbaren frequenter en heviger. De Germanen klonterden steeds beter en vaker samen in georganiseerde (stammen)verbonden in de strijd tegen de Romeinen. Zij hadden dikwijls al in de gelederen van de Romeinen gevochten en zetten hun opgedane krijgskennis nu in tegen hun oude broodheer. De keizer zocht zijn heil in versterking van het leger om de vele vijanden beter het hoofd te kunnen bieden, maar meer troepen betekende meer uitgaven. Het gehalte zilver in een munt werd drastisch minder om alles te kunnen blijven bekostigen. Als gevolg van muntdevaluaties en het wegtrekken van mensen uit zowel de steden als de grensgebieden, klapte de economie in elkaar in het westen. Pas met de komst van keizer Diocletianus  kwam er weer enigszins rust in het rijk.

Kaart Rijk

Romeinse rijk rond 117 A.D.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deling van het rijk

Zowel Diocletianus als Constantijn hebben diverse hervormingen doorgevoerd in hun pogingen het rijk verder te herstellen. Zowel op bestuurlijk gebied (uitbreiding van het ambtenarenapparaat), economisch gebied, (prijzen voor goederen werden gecontroleerd) alsmede de daadwerkelijke deling van de macht (Tetrarchie). Hierdoor was Rome niet langer hoofdzetel van de macht. In 285 n. Chr. werd het Romeinse Rijk administratief in tweeën gesplitst. Voortaan zou er een westelijk deel en een oostelijk deel bestaan. Deze verdeling noemt men de tetrarchie, waarbij Diocletianus, keizer op dat moment, een medekeizer en twee onderkeizers aanstelde. Men hoopte dat men, door het rijk op te delen, aanvallen van verschillende kanten beter te kunnen pareren. Uiteindelijk kregen de keizers onderling herrie om de opvolging waaruit Constantijn de Grote als overwinnaar uit de strijd kwam nadat hij aan de vooravond van een beslissende slag tegen zijn grootste vijand een visioen had gehad van het christelijk kruis, dat hem de overwinning zou bezorgen. Constantijn overwon inderdaad en werd hierna de eerste christelijke keizer van het rijk. Constantijn verplaatste zijn regeringszetel naar het rijkere Constantinopel (later Byzantium). Na de dood van Theodosius de Grote (395), die de Visigoten onder Alarik I moest toelaten binnen de grenzen van het rijk, volgde een definitieve deling tussen Oost en West. Legers van beide rijken steunden elkaar niet langer in militaire campagnes, wat zorgde voor een verdere verzwakking op militair gebied.

romeinse-rijk-diocletianus

De Tetrarchie rond 230 n.Chr. Bron: Historiek.net

Belastingen

Vanwege de vele (burger) oorlogen binnen het rijk werden ingezetenen opgezadeld met steeds hogere belastingen. Die kon door de ruggengraat van de economie, de vrije pachtboeren (coloni), niet meer worden opgebracht. Vele boeren verlieten hun landerijen noodgedwongen in de hoop op een beter bestaan. Hierdoor ontstond er minder landbouwproductie; grote stukken akkerland bleef onbewerkt achter. Afzetmarkten werden kleiner. Men trachtte het tij te keren door het beroep erfelijk te maken en aan de grond gebonden, zodat de grote uittocht van het platteland zou worden gestopt. De verlaten stukken grond werden veelal in beslag genomen door grootgrondbezitters die er slaven te werk stelden. De grootgrondbezitters werden op den duur heer van zowel coloni (vrije pachtboeren) als slaven. Het lijfeigenschap (horigheid) ontstond hierdoor. Doordat er echter minder gebied werd veroverd, waren er ook minder slaven voorradig. Dit had tot gevolg dat kleinere stukken grond werden geëxploiteerd en grootgrondbezitters steeds onafhankelijker werden van Rome. De overheid kon het bestuur over het platteland niet meer belopen. De villa`s op het platteland werden bestuurlijke centra in een bepaald gebied.

Volksverhuizingen en de pest

Gedurende deze economische en sociale ontwikkelingen had het Romeinse Rijk ook nog te maken met het uitbreken van pestepidemieën. Dit verzwakte de economie nog verder. Steden slonken aanzienlijk en de handel werd kleinschaliger. De eerste grote epidemie vond plaats onder Marcus Aurelius (r. 161-180). Het wordt betwijfeld of het hier om echte pest ging, maar in elk geval stierf naar schatting zo`n tien procent van de inwoners van het rijk. Vooral onder de soldaten was het slachtofferaantal groot. Op den duur kon het leger Germaanse invallen niet weerstaan, waardoor de keizer zich gedwongen zag zelf het leger (succesvol) aan te voeren. Toch was de dreiging van de invallen van Germanen blijvend en steeds vaker werden de Romeinen gedwongen de Germanen  in grote aantallen op te nemen in het rijk. Deze foederati onderwierpen zich aan de Romeinse wetten. In ruil voor bescherming binnen het rijk leverden de foederati hulptroepen voor de legioenen waarmee deze voor een steeds groter gedeelte uit Germanen gingen bestaan.

Eind vierde eeuw echter, raakten de Hunnen (een Aziatisch ruitervolk uit de Mongoolse regionen) op drift. Ze joegen verschillende Germaanse volken op de vlucht, zoals de Visigoten bijvoorbeeld. Rome werd in 410 n. Chr. geplunderd door deze Visigoten, welke foederati werden na hun vlucht voor de Hunnen, en in 455 nogmaals door de Vandalen in 455 n. Chr. Het gebeuren bracht een geweldige schok teweeg in de oude wereldorde, Rome zag voor het eerst sinds de vierde eeuw v. Chr. vreemde troepen in de stad. De Hunnen overspoelden Europees grondgebied en namen zelfs Milaan en Ravenna in en bedreigden ook Rome. De laatste grote overwinning van de Romeinen vond plaats op de Catalaunische velden waar de Romeinse veldheer Aetius de Hunnen onder Atilla versloeg. De laatste Romeinse keizer, Romulus Augustulus, werd uiteindelijk in 476 afgezet door Odoaker, die daarmee de eerste barbaarse koning van Italië werd.

Complex

Zoals we op kunnen maken uit bovenstaande is de val van het West-Romeinse Rijk dus een complex geheel aan factoren over een langere periode die zorgen voor het einde van een periode van Romeinse heerschappij in het westen. Ziekte, hongersnood, de grootte van het rijk, de volksverhuizingen, de komst van het christendom en daarmee het pacifisme in het rijk, de opname van Germanen in het leger en hun groeiend belang in dat leger, ook op hoge plaatsen, de deling van het rijk, militaire nederlagen, goede keizers, slechte keizers, torenhoge belastingen welke niet langer zijn op te brengen, het gemis aan buit vanwege uitblijvende overwinningen, de-urbanisatie, burgeroorlog, wetgeving,  zovele oorzaken spelen een rol bij de desintegratie van het rijk, dat men bij het kiezen van een jaartal teneinde de uiteindelijke val een jaartal mee te geven heeft gekozen voor het jaar 475 n. Chr. om het maar enigszins te kunnen periodiseren, en men kijkt hierbij vooral naar een breuk met het verleden op institutioneel gebied. De Latijnse cultuur versmolt echter verder met de Germaanse, een proces dat eeuwen duren zou en tot op de dag van vandaag vind je om je heen elementen van beide.