Renewal

We`re Back!

Het is alweer een hele tijd geleden tot de laatste blog, dus allereerst excuses hiervoor. In de tussentijd ben ik vader geworden van Jan, een vrolijk manneke van inmiddels alweer bijna negen maanden, zijn we verhuisd van Nijmegen naar Venlo waarbij we midden in een verbouwing zitten en waarbij ik ook nog eens een nieuwe baan heb. Verder alles ok hoor! Venlo is een hele andere stad dan Nijmegen natuurlijk, maar ook hier bulkt het van de geschiedenis. Een stadsgeschiedenis die gedurende perioden in de geschiedenis soms wellicht nog complexer was, dan die van Nijmegen. Hierover binnenkort meer, want hier wordt zeker binnenkort nog een blog aan gewijd.

Verder gaan Robin, mijn partner in crime bij Geschiedenis-Online, proberen meer tijd vrij te maken voor het hele gebeuren. Eén van de speerpunten zal zijn het organiseren van de Rome-reis voor 2019. We gaan snel zorgen dat het programma rond is en dat je je hier voor kunt aanmelden. Het zal een reis van maximaal een week worden waarbij we niet alleen chronologisch naar het de geschiedenis van de stad kijken, maar waarbij we ook willen laten ervaren wat het leven in Rome is en welke actuele thema`s in de stad spelen.

Daarnaast gaan we ons focussen op enkele lezingen zodat we niet alles tegelijk op poten hoeven te zetten want we hebben allebei nog een fulltime baan ernaast.

Robin heeft het bloggen nieuw leven ingeblazen in zijn vakantie door een heel persoonlijk stuk, niet alleen voor Robin, maar ook voor mij, te schrijven over een gebeurtenis vorig jaar welke ons allebei wel “geraakt’ heeft in positieve zin. Anderzijds heeft het ons ook de ogen doen openen. De laatste generatie veteranen uit de Tweede Oorlog sterft snel uit en we vinden, zeker na de gesprekken met Peter Clarke, dat we de herinnering levend moeten houden. Hier willen we zeker ons steentje aan bijdragen.

Vandaag vertrek ik per motor een paar dagen richting het Hürtgenwald om daar plekken te bezoeken waar een vergeten slag is uitgevochten. Mensen die nog eens na willen lezen wat hier precies is gebeurd en waarom deze slag niet goed bekend is bij het grote publiek terwijl de hel en verdoemenis er zeker zo groot, zo niet groter is geweest dan bij Market Garden of het Ardennenoffensief, kan dat hier nog eens doen:

Hürtgenwald

Verder wens ik iedereen alvast veel leesplezier en indien er mensen zijn die alvast meer informatie willen m.b.t. de Rome-reis, neem dan alvast contact op middels het contactformulier.

Ruud Willems

Peter Clarke

 

 

De ontmoeting die mijn leven veranderde.

Het is zaterdag 15 september 2017. Ruud en ik hebben afgesproken in Arnhem en zijn vervolgens naar Oosterbeek gereden. Het is het 73e herdenkingsweekend van de Slag om Arnhem. In heel Oosterbeek worden activiteiten georganiseerd. Op verschillende locaties in het dorp spelen in Duitse en Engelse uniformen verklede acteurs gevechten na. “Keep Them Rolling” is wederom met veel historische voertuigen aanwezig. In de middag zullen ook de eerste herdenkingsplechtigheden zijn. Op de Airborne begraafplaats komen Ruud en ik de eerste Engelse veteranen tegen. Oudere heren, natuurlijk, die hun familie laten zien waar hun gesneuvelde kameraden begraven liggen. Trotse heren ook die vaak volgehangen zijn met allerlei medailles en fier hun rode Airborne baret dragen. Ik voel heel sterk de drang om met deze veteranen, helden in mijn ogen, in gesprek te gaan. Toch twijfel ik. Is dit wel de plaats en het moment waarop ik ze aan kan en mag spreken? Willen ze niet in stilte herdenken zonder dat ze gestoord worden door weer een nieuwsgierige Hollander? Het feit dat ik nu nog de kans heb om met deze mannen te spreken, en de wetenschap dat deze kans ieder jaar kleiner zal worden en dat deze mensen er binnen nu en enkele jaren er niet meer zullen zijn, trekken mij over de drempel. Ruud en ik benaderen twee veteranen, heel aardige heren waarvan er één echt de tijd neemt met ons te spreken. We hebben het over het onderwijs over de tweede wereldoorlog in Nederland en Engeland. De conclusie van zowel ons als de veteraan is duidelijk; de jeugd moet de verhalen over de Tweede Wereldoorlog blijven horen.

Na het bezoek aan de begraafplaats, het mooie gesprek en het maken van een aantal foto’s zijn Ruud en ik erg opgetogen. Prachtig dat dit gelukt is en dat we de kans hebben gehad even kort te spreken met één van de mannen die letterlijk een onderdeel vormt van onze geschiedenis. Ruud en ik besluiten in het centrum van Oosterbeek, bij Grand Café Oosterbeek, een kop koffie te gaan drinken. Omdat het behoorlijk fris is zoeken we een tafel binnen en vinden we vlakbij de deur het laatste tafeltje bij het raam.

We zitten nog geen vijf minuten als de entreedeur open gaat. Er komen twee mannen het restaurant binnen. In de rolstoel zit een oude heer. Hij draagt sportschoenen, een bruine wat vale manchesterbroek en een blauwe colbert. De heer oogt kwetsbaar en tegelijk heeft hij een zeer bijzondere en levendige uitstraling. Een lange grijze sik siert zijn kin en ondanks zijn leeftijd, deze man moet bejaard zijn, kijkt hij scherp uit zijn ogen. Op zijn hoofd prijkt de rode baret met daarop het embleem van het Britse glider (zweefvliegers) regiment. Ik zie dat de heren een plek zoeken en vraag zonder na te denken of ze misschien aan ons tafeltje willen zitten zodat ze bij het raam kunnen zitten. Dankbaar geven ze aan dit wel te willen. Ruud en ik verhuizen naar het tafeltje naast hen.

Direct raken we in gesprek met de mannen die nu naast ons zitten. Het blijken Slag om Arnhem veteraan Peter Clarke van 96 en zijn begeleider Alan Fisher te zijn. Terwijl koffie, lunch en nog meer koffie bestelt worden voert Alan enthousiast het woord en vertelt hij het verhaal van Peter tijdens de Slag om Arnhem. Regelmatig vult Peter hem, al kauwende op een uitsmijter, aan. Peter is op zijn 23e als piloot van een Horsa zweefvliegtuig geland bij Wolfheze. Op dat moment is Peter een ervaren piloot, hoewel hij enkel trainingservaring bezat. Graag had hij in Italië of Normandië ingezet willen worden maar dit was er, door verschillende omstandigheden, nooit van gekomen. In Nederland volgde een landing volgens het boekje, aldus Peter. In zijn zweefvliegtuig bevonden zich, naast zijn co-piloot Arnold Phillips, leden van een mortiergroep van het eerste bataljon The Border Regiment. Alan laat een bekende foto van de gevechten in Oosterbeek zien. Hierop is deze mortiergroep te zien.

De wereldberoemde foto van de mortiergroep die door Peter in zijn zweefvliegtuig is vervoerd naar Oosterbeek. Peter heeft deze mannen nadat ze uit zijn gestapt nooit meer gezien.

Eenmaal in Oosterbeek aanbeland maakt Peter de gevechten mee en neemt hij, ondanks het feit dat hij erg gelovig is en niet gelooft in het doden van een ander, ook actief deel aan de gevechten in de buitenwijken van Oosterbeek. Of hij echt iemand geraakt heeft weet Peter niet, hij heeft geschoten in de richting waar de vijand was. Peter besluit in het park bij het hoofdkwartier van de Engelsen, Hotel Hartenstein, een eerste hulp post op te zetten. Doordat hij een medische training heeft gehad voordat hij zich aan heeft gemeld bij de Airforce, heeft hij het idee zich hier nuttiger te kunnen maken dan op het slagveld. Bovendien hoefde Peter dan ook niet op de vijand te schieten. Ondanks dat het geen officiële verbandpost is, stromen de gewonden direct binnen. Ondanks een tekort aan medische hulpmiddelen vecht Peter terwijl de gevechten om hem heen heviger worden voor ieder leven. Als de Engelsen zich op 25 september moeten terugtrekken weigert Peter mee te gaan. Hij vindt dat hij bij de gewonden moet blijven. Op dat moment heeft hij twee zwaargewonde soldaten die hij verzorgt. De Duitsers maken Peter krijgsgevangen en sturen hem met de andere Britse krijgsgevangenen via Apeldoorn naar het oosten van Europa. Onderweg weten Peter en enkele anderen korte tijd te ontsnappen. Door pure pech worden ze door de Duitsers gevonden en weer opgepakt. Uiteindelijk komt Peter in een kamp in Sagen in Polen terecht en moet hij als de Russen dichterbij komen aan één van de vele dodenmarsen deelnemen. Honderden kilometers worden afgelegd voordat Peter in februari 1945 uiteindelijk door de Russen wordt bevrijd en terug kan keren naar huis.

Peter Clarke tijdens een herdenkingsmoment van de Slag om Arnhem

 

 

 

 

 

Met open mond luisteren Ruud en ik naar dit verhaal. Regelmatig realiseer ik me hoe ongelofelijk bijzonder het is dit mee te maken en wat een eer het is dat wij de kans krijgen met deze man te praten. Dat Peter en Alan zo vriendelijk zijn onze vragen te beantwoorden. Ze lijken ons gezelschap ook erg op prijs te stellen want we worden uitgenodigd mee te gaan naar een kleine herdenking van de omgekomen zweefvliegers bij het monument De Naald in Oosterbeek. We twijfelen niet, we gaan mee, het avontuur gaat verder.

Terwijl we naar de parkeerplaats lopen waar Alan zijn auto heeft staan, we zouden met hun meerijden naar de herdenking, duwt Alan Peter voort in de rolstoel. Tijdens de wandeling naar de parkeerplaats valt het me op hoe bijzonder mensen reageren op het feit dat er een Slag om Arnhem veteraan langskomt. Een enkeling klapt, sommigen willen graag de hand van Peter schudden en bedanken hem, een aantal mensen beginnen te roepen en zwaaien. Peter vind het prachtig en neemt overal de tijd voor. We stappen in de auto van Alan. Peter voorin, Ruud en ik achterin. Steeds weer realiseer ik me hoe bijzonder en op een bepaalde manier ook bizar deze situatie is. Het ene moment wil je een bakje koffie gaan drinken en een aantal uur later zit je met een veteraan in de auto op weg naar een herdenking. De sfeer is goed, Alan is een hele aardige man en Peter is, ondanks dat hij niet alles meer helemaal meekrijgt, scherp en vol humor.

Bij het monument De Naald tegenover het Airbornemuseum vind de herdenking plaats. Er zijn slechts enkele tientallen belangstellenden en een groep Engelse militairen die de dienst ondersteunen. Wat is het bijzonder en eervol om een aantal meter achter de rolstoel van een veteraan die je nu behoorlijk goed kent te kunnen herdenken. Het begint te regenen tijdens de dienst. Alan geeft ons een extra paraplu die hij mee had genomen. We bidden samen, zingen ‘blijf mij nabij’. Aan het einde van de dienst blijkt dat Peter een legende is onder de Britse militairen die aanwezig zijn. Hij neemt uitgebreid de tijd ze te spreken en geniet van alle aandacht. Ruud en ik nemen afscheid van Alan. We wisselen onze mailadressen uit en beloven contact te houden.

Direct na thuiskomst mailt Alan mij dat ze een goede reis hebben gehad en veilig thuis zijn. Hij bedankt ons voor de gezellige middag en goede gesprekken. In de maanden die volgen krijg ik het adres van Peter en stuur ik hem de foto die we genomen hebben samen. Daarbij schijf ik een lange brief waarin ik alles zet wat ik eigenlijk ooit tegen een veteraan heb willen zeggen maar waar ik nooit de kans of tijd voor heb gehad. Ik dank Peter voor zijn heldenmoed en opofferingen en beloof hem zijn verhaal en het verhaal van de Slag om Arnhem levend te houden. Via Alan hoor ik dat Peter de brief heeft ontvangen en heeft gelezen. Ik hou regelmatig contact met Alan en hoor dat ze plannen maken ook in 2018 weer naar Oosterbeek te komen. We spreken af elkaar te ontmoeten als dit mogelijk is. In april krijg ik van Alan een droevige mail. Op 3 april is Peter na een kort ziekbed overleden. Alan mailde dat hij vlak voor zijn dood nog had aangegeven erg uit te kijken naar zijn volgende bezoek aan Oosterbeek in 2018. Ondanks het feit dat je weet dat iemand van 96 kan overlijden, greep mij het overlijden erg aan. Ik kende Peter slechts 3 uur, maar het waren misschien wel de meest bijzondere en inspirerende uren uit mijn leven.

Hoe een kortstondig contact grote impact kan hebben. Vanaf nu loop ik op een andere manier door Oosterbeek. Ik heb het gevoel dat Peter meekijkt..

Peter Clarke 1921 – 2018

 

 

 

 

Boekrecensie Zwarte bladzijden uit de vaderlandse geschiedenis (Rob Hartmans)

ISBN: 9789401910385
Uitgeverij: Omniboek
Uitvoering: Paperback / softback
Omvang: 224 pagina’s
Afmeting: 236 mm x 155 mm x 23 mm
Verschijningsdatum: 28-11-2017
Taal: Nederlands
Genre: Geschiedenis algemeen

 

In de Nederlandse geschiedenis zijn er vele zaken gebeurd waar we trots op mogen zijn. Voor een relatief klein land , hebben we ons wereldkundig toch op de kaart weten te zetten. Zo kan het zijn dat bepaalde zaken die de geschiedenis van ons land hebben vorm gegeven, internationaal alom waardering genieten en soms bij uitstek de reden(en) vormen waar ons land om bekend staat. In de 17e eeuw, gedurende de periode waarin ons land een republiek is, heerst er bijvoorbeeld in tegenstelling tot veel andere landen op het Europese vasteland, een relatieve vrijheid op het gebied van de godsdienst. De wetenschap kan er, naast de godsdienst, floreren en dit leidt tot een scala aan belangrijke innovaties en een bloeiende ontwikkeling van de wetenschap en handel.

Daarnaast kent ons land in die periode, ook in vergelijking tot de landen om ons heen, geen gewelddadige revoluties zoals elders rond 1848 wel het geval is, in een tijd dat de roep om meer vrijheid en democratie voor burgers steeds luider wordt verkondigd en door de Europese lucht schalt. Er wordt door de hand van Thorbecke een grondwet gevormd welke later voor meerdere naties model zal staan voor de grondwetten welke zij invoeren. Deze grondwet vormt nog steeds het sterke fundament waarop het huidige bestuur in ons land wordt uitgevoerd. Vooral ook in de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw kenmerkt ons land zich door gelijke rechten voor man en vrouw, acceptatie van homoseksualiteit nadat al een gezonde verzorgingsstaat werd gevestigd.

Toch heeft ons land ook elementen in haar geschiedenis, welke niet onomstreden zijn en, waar steeds meer aandacht voor komt. Niet alleen op scholen, maar ook in de media. Gruwelijkheden zijn in de naam van ons land op grote schaal gepleegd. Naast innovatie en relatieve tolerantie mogen we met betrekking tot de geschiedenis van ons land de begrippen slavernij, hebzucht en zeker ook agressie niet vergeten worden. De slavenhandel en het uitmoorden van dorpen en gebieden gedurende de periode van het kolonialisme zijn hier om twee voorbeelden te noemen, onlosmakelijk mee verbonden. Deze, en andere zaken, zoals bijvoorbeeld collaboratie en passiviteit tijdens de Tweede Wereldoorlog, vormen dan ook de zwarte bladzijden uit de Nederlandse geschiedenis.

Bij het kijken naar de geschiedenis van een land hoort een kritische blik. Om die reden is het ook goed om naar de minder goede daden welke in de naam van ons land zijn gebeurd te kijken en deze voor het voetlicht te laten treden, zodat we ons hier ook bewust van zijn. Daarbij is het ook belangrijk het hele plaatje, de context, te bekijken. Daarbij moet men altijd de normen en waarden van de tijd van het beschouwde meenemen bij het bezien ervan. Maar dat wil niet altijd zeggen dat deze model staan voor de daden zoals deze zijn gepleegd en dat vanuit de normen en waarden bezien datgene wat er gebeurd is kan worden goed- of afgekeurd.

In dit boek worden vragen gesteld aan de omgang met onze geschiedenis. Mogen we nog wel een zeeheldenbuurt vereren met die naamgeving? Mag zwarte piet nog? Mogen er nog standbeelden staan van “helden” uit de Nederlandse geschiedenis? Is de geschiedenis zoals zij in de schoolboekjes staat nog wel logisch en terecht? Auteur Rob Hartmans beschrijft in zijn boek deze zwarte bladzijden uit de Nederlandse geschiedenis, omdat hij vindt dat we recht hebben op de waarheid zoals die is, en of dat nu een pijnlijke is, of niet en dat lijkt me zeker goed.

Je zou kunnen zeggen dat in een periode waarin normen, waarden en (volledigheid van de) geschiedenis (nog steeds) volop ter discussie staan, dit boek makkelijk scoren is. Het sluit aan bij de punten die bijna wekelijks in de media voorbij komen, zeker in de maand december. Verbinden in de samenleving blijft lastig. Kloven in de samenleving zijn er om gedicht te worden, maar dan moeten alle betrokkenen wel bereid zijn tot toenadering. Ook moeten alle partijen oog willen hebben voor de gehele geschiedenis zoals die is, in goede, en in slechte zin. Helaas is dat er nog niet (voldoende) waardoor er nog veel meer water door de zee zal moeten vloeien eer men van een breed gedragen en vollediger beeld van de geschiedenis binnen de samenleving kan spreken. Zouden de tegenstanders ervan, de gehele geschiedenis van bijvoorbeeld zwarte piet kennen en de veranderende context van die cultus in de geschiedenis maar ook als beleving door de samenleving, dan zou deze figuur voor deze groep zich wellicht minder geschikt lenen als aanleiding op de barricades te gaan staan.

Andersom zou inzicht in de geschiedenis rondom het kolonialisme bij een breder publiek, en dus ook onder bijvoorbeeld voorstanders van zwarte piet, er toe kunnen leiden dat ook hier meer begrip ontstaat. Maar geschiedenis wordt vaak slechts in flarden en incompleet benoemd, los van datgene wat men binnen het vak geschiedenis standplaatsgebondenheid noemt; het perspectief van degene die er naar kijkt. Men zal dan ook met elkaar in dialoog moeten blijven. Ik had liever een boek gezien dat ingaat op hoe men dat kan gaan bewerkstelligen. Toch kan dit boek bijdragen aan een beter inzicht in onze vaderlandse geschiedenis in het actuele debat omdat het een eerlijke weergave vormt van wat er gebeurd is. Daarmee zou het mits iedereen er welwillend tegenover gaat staan, een klein radertje kunnen vormen van een beter Nederland, dat zich (beter) bewust is van haar eigen verleden.

De dodo; snack der Hollanders?

Door: R. Smienk

De dodo; snack van de Hollanders?

855 kilometer ten oosten van Madagaskar ligt het eiland Mauritius. Het eiland en haar omgeving bestaat uit grote koraalriffen, een langgerekte kust van 177 kilometer en een bergachtig en dicht bebost binnenland. Vanwege de geïsoleerde ligging en het gunstige subtropische klimaat, komen er op het eiland bijzondere diersoorten voor. Eén van de bekendste diersoorten van dit eiland is echter al sinds het einde van de 17e eeuw uitgestorven; de dodo. Deze vogel van ongeveer een meter hoog leefde in de bossen en had een dieet dat bestond uit zaden en vruchten. De dodo was kwetsbaar want kon niet vliegen maar had geen natuurlijke vijanden op Mauritius.

dodo

Tekening van hoe de Dodo eruit moet hebben gezien. 

In 1598 deden Hollanders het eiland voor het eerst aan. Het was toen nog onbewoond. Ze noemden het eiland naar Maurits van Oranje, de zoon van Willem van Oranje. In het journaal van de Nederlandse scheepvaarders in 1598 beschrijven ze de vogel die ze dan voor het eerst zien. Ze noemen de vogel ‘Walchvogel’ en beschrijven hem als zeer taai hoewel de borst goed te eten was. Ze vergelijken de dodo met een tortelduif, waarvan ze zeggen dat de smaak beter is. De dodo blijkt uit onderzoek van de universiteit van Oxford, uitgevoerd in 2002, inderdaad familie te zijn van de duif. Vanwege de witte staart noemen de eerste Hollanders de vogel ook wel ‘dodaars’, hier is de naam dodo van afgeleid.

 

In de jaren na 1598 beschrijven de Hollanders in journaals en dagboeken regelmatig de flora en fauna van Mauritius. Ook de dodo komt veelvuldig voor in deze documenten. Zo is te lezen dat de Hollanders genieten van een recept met daarin gezouten vlees van de dodo.

dodo2

Een dodo getekend in een reisverslag van een lid van de VOC in 1602.

In 1638 bouwen de Hollanders een groot fort op Mauritius. Het eiland dient als aanloophaven voor reizen naar Azië of terug naar Nederland. De intensieve bewoning van Mauritius was niet goed voor de dodo. Er is echter geen bewijs gevonden dat de dodo uitgestorven is omdat hij opgegeten is door de Hollanders. De Hollandse bewoners namen echter wel allerlei dieren mee naar het eiland. Denk hierbij aan honden, varkens en apen. Het meenemen van deze dieren heeft naar alle waarschijnlijkheid wel een grote invloed gehad op het uitsterven van de dodo. Deze meegebrachte dieren hadden het niet alleen voorzien op de eieren van de dodo, maar brachten ook allerlei ziekten mee waardoor de populatie van inheemse dieren een enorme klap kreeg.

In 1662 neemt men de dodo, die toen al ruim 25 jaar niet meer gezien was, voor het laatst waar. Bijzonder is ook dat er zeer weinig overblijfselen van de dodo gevonden zijn. Er bestaan alleen een aantal losse botjes en er is slechts één complete schedel gevonden. Volledige skeletten, van vele andere uitgestorven diersoorten wel gevonden, zijn van de dodo nooit aangetroffen.

 

 

De val van het West-Romeinse Rijk

Val van het West-Romeinse rijk

visigoths_sack_rome

De plundering van Rome door de Visigoten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

door: Ruud Willems

Een van de meest besproken onderwerpen met betrekking tot het dateren van het einde van de oudheid en het begin van de middeleeuwen, is de val van het West-Romeinse Rijk. West-Romeins inderdaad, het grote Romeinse Rijk raakte verdeeld, waarbij het Oost-Romeinse Rijk niet ophield te bestaan voordat het zijn neergang aan het einde van de middeleeuwen kende, wat daarmee weer wordt gezien als een eindpunt van de middeleeuwen en overgang naar de Renaissance. Eén gebeurtenis is echter zelden solo verantwoordelijk voor het einde van een tijdperk. Vaak gaat het hierbij om een reeks gebeurtenissen die over een langere periode leiden tot een kentering van het bestaande.

Zo zou men niet alleen het jaar 476 n. Chr. (Val van het West-Romeinse Rijk waarbij de laatste keizer, Romulus Augustulus wordt afgezet door Odoaker, aanvoerder van Germaanse huurlingen binnen het Romeinse leger) kunnen aanduiden als einde van de oudheid en begin van de middeleeuwen. Men zou net zo goed andere gebeurtenissen kunnen noemen, zoals de plunderingen van Rome in 410 n. Chr en 455 n.Chr. door resp. de Visigoten en de Vandalen, Germaanse stammen op drift geraakt door de komst van de Hunnen in Europa. De vierde eeuw kenmerkte een Romeins Rijk dat zich gedwongen zag Germanen als foederati op te nemen, ingezetenen zonder burgerrecht, maar gedwongen tot (militaire) hulpverlening in ruil voor bescherming en opname binnen de rijksgrenzen. Hiermee trad verder verval in. Het plaatje van de moeilijkheid één gebeurtenis verantwoordelijk te laten worden voor einde en begin van een periode wordt zo snel duidelijk. Hiermee blijft ook de discussie waar de oudheid te laten eindigen, en de middeleeuwen te laten beginnen levendig binnen de geschiedvorsing. Het hangt er van af waar je naar kijkt. De traditie houdt echter 476. n. Chr. aan als overgang, men moet het toch op één of andere manier een jaartal meegeven, dat is handig voor de mensen. Het duiden van de val van het West-Romeinse rijk is echter allesbehalve een makkelijke kwestie, omdat het hier gaat om verschillende aspecten die uiteindelijk zullen leiden tot haar einde. 

Het Christendom

Na de dood van Jezus trokken zijn apostelen er op uit om de leer van Jezus te verkondigen. Eén van de apostelen die hierin het meest fanatiek was, is Paulus geweest, over wie ik eerder heb geschreven. Paulus trok ook naar Rome om daar het christendom te brengen en verwierf er uiteindelijk het martelaarschap. Het christendom was en is in beginsel een pacifistische religie, de Romeinen hadden daarentegen een oorlogsgod, Mars. Daarnaast was het christelijke geloof vooral ook een monotheïstische religie. En dat was in het Romeinse Rijk een probleem, want de Romeinse staatsreligie hing vele goden aan. Van de Romeinen kan gezegd worden dat ze redelijk tolerant tegenover andere religies en gedachtegoed stonden, tenzij men zich geheel onthield aan de Romeinse cultus, welke polytheïstisch van aard was. Christenen werden dan ook, zoals ook de Joden eerder hadden ondervonden tot zij in de eerste eeuw werden erkend door de Romeinse keizer(s), als een gevaar gezien voor de eenheid van de staat. Zij zouden slecht voor de handel zijn want zij joegen de kooplui bij tempels weg waar zij konden. Ook volgden de Romeinen de rituelen van de christenen met argusogen, ze werden gezien als kannibalen want zij aten het vlees en bloed van Christus. Hierdoor werden zij met enige regelmaat blootgesteld aan vervolgingen. Voorbeelden hiervan vinden we in alle drie de eeuwen; in de eerste eeuw bijvoorbeeld door Nero, die christenen bijvoorbeeld gebruikte als fakkels langs de weg, in de tweede onder Marcus Aurelius (177) en in de derde en vierde respectievelijk onder Decius (250), Valerianus(257) en Diocletianus (303). De vervolgingen hielden pas op met het Edict van Milaan in 313, waarbij de religie officieel werd toegestaan binnen het rijk en burgers het recht kregen op vrijheid van godsdienst. Hierdoor kon de aanhang onder de christenen sterk groeien. Steeds meer mensen binnen het rijk werden volger van het christelijk geloof, ook soldaten. Zij kwamen echter in het gedrang met hun geloof en hun professie, omdat deze twee lastig te verenigen waren. Vaak wordt dan ook door historici aangehaald dat met de komst van christendom gaandeweg de militaire slagkracht verder werd ondermijnd.

kristne1-aygmnndforikq9-weqf64g

Christenen worden ter vermaak afgeslacht voor de ogen van een doldriest publiek. Bron: Historia.nl

Tanende macht

Het Romeinse rijk bereikte haar hoogtepunt aan het begin van de derde eeuw (202 n. Chr.) onder keizer Septimius Severus, die met de verovering van Mesopotamië een enorm gebied inlijfde bij het toch al aanzienlijke rijk. Vaak wordt gedacht dat de grootste omvang werd bereikt onder Trajanus, maar dit klopt niet omdat deze zijn gezag in het zelfde gebied niet definitief kon vestigen, hoewel hij er succesvolle invallen pleegde, zo geeft J. Lendering aan in een boekrecensie op zijn weblog Mainzer Beobachter over Maarten van Rossems boek “Het einde van het Romeinse Rijk”. Maar ook hier gold: hoe groter een rijk, hoe lastiger te managen. Een groter rijk heeft meer grenskilometers en meer soldaten nodig en dus meer soldij. Dat betekent verhoging van belastingen. Er konden vanwege de roep om een groter leger ook niet langer louter Romeinse burgers worden geworven voor de krijgsdienst. Steeds vaker waren dit foederati of krijgsgevangen. Verder kenmerkte een groot gedeelte van de derde eeuw zich door interne chaos en burgeroorlogen binnen het rijk. De periode is in de geschiedenis bekend als de crisis van de derde eeuw en de heerschappij van elkaar beconcurrerende soldatenkeizers. Soldaten wezen hun aanvoerder vaak aan in de hoop dat er dan meer soldij zou volgen. Vanwege de interne strijd kwam er veel minder buit binnen dan voorheen. Tot overmaat van ramp werd ook de druk van diverse stammen op de buitengrenzen werd steeds groter. In de Parthen vonden de Romeinen aan hun oostgrenzen een tegenstander om rekening mee te houden. Ze leden een aantal grote nederlagen tegen de Parthen (leefgebied grotendeels hedendaags Iran) tussen het midden van de eerste eeuw v. Chr. en het begin van de derde eeuw n. Chr. en later door toedoen van de opvolgers der Parthen; het Sassanidische Rijk. Ook in het westen werden invallen van barbaren frequenter en heviger. De Germanen klonterden steeds beter en vaker samen in georganiseerde (stammen)verbonden in de strijd tegen de Romeinen. Zij hadden dikwijls al in de gelederen van de Romeinen gevochten en zetten hun opgedane krijgskennis nu in tegen hun oude broodheer. De keizer zocht zijn heil in versterking van het leger om de vele vijanden beter het hoofd te kunnen bieden, maar meer troepen betekende meer uitgaven. Het gehalte zilver in een munt werd drastisch minder om alles te kunnen blijven bekostigen. Als gevolg van muntdevaluaties en het wegtrekken van mensen uit zowel de steden als de grensgebieden, klapte de economie in elkaar in het westen. Pas met de komst van keizer Diocletianus  kwam er weer enigszins rust in het rijk.

Kaart Rijk

Romeinse rijk rond 117 A.D.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deling van het rijk

Zowel Diocletianus als Constantijn hebben diverse hervormingen doorgevoerd in hun pogingen het rijk verder te herstellen. Zowel op bestuurlijk gebied (uitbreiding van het ambtenarenapparaat), economisch gebied, (prijzen voor goederen werden gecontroleerd) alsmede de daadwerkelijke deling van de macht (Tetrarchie). Hierdoor was Rome niet langer hoofdzetel van de macht. In 285 n. Chr. werd het Romeinse Rijk administratief in tweeën gesplitst. Voortaan zou er een westelijk deel en een oostelijk deel bestaan. Deze verdeling noemt men de tetrarchie, waarbij Diocletianus, keizer op dat moment, een medekeizer en twee onderkeizers aanstelde. Men hoopte dat men, door het rijk op te delen, aanvallen van verschillende kanten beter te kunnen pareren. Uiteindelijk kregen de keizers onderling herrie om de opvolging waaruit Constantijn de Grote als overwinnaar uit de strijd kwam nadat hij aan de vooravond van een beslissende slag tegen zijn grootste vijand een visioen had gehad van het christelijk kruis, dat hem de overwinning zou bezorgen. Constantijn overwon inderdaad en werd hierna de eerste christelijke keizer van het rijk. Constantijn verplaatste zijn regeringszetel naar het rijkere Constantinopel (later Byzantium). Na de dood van Theodosius de Grote (395), die de Visigoten onder Alarik I moest toelaten binnen de grenzen van het rijk, volgde een definitieve deling tussen Oost en West. Legers van beide rijken steunden elkaar niet langer in militaire campagnes, wat zorgde voor een verdere verzwakking op militair gebied.

romeinse-rijk-diocletianus

De Tetrarchie rond 230 n.Chr. Bron: Historiek.net

Belastingen

Vanwege de vele (burger) oorlogen binnen het rijk werden ingezetenen opgezadeld met steeds hogere belastingen. Die kon door de ruggengraat van de economie, de vrije pachtboeren (coloni), niet meer worden opgebracht. Vele boeren verlieten hun landerijen noodgedwongen in de hoop op een beter bestaan. Hierdoor ontstond er minder landbouwproductie; grote stukken akkerland bleef onbewerkt achter. Afzetmarkten werden kleiner. Men trachtte het tij te keren door het beroep erfelijk te maken en aan de grond gebonden, zodat de grote uittocht van het platteland zou worden gestopt. De verlaten stukken grond werden veelal in beslag genomen door grootgrondbezitters die er slaven te werk stelden. De grootgrondbezitters werden op den duur heer van zowel coloni (vrije pachtboeren) als slaven. Het lijfeigenschap (horigheid) ontstond hierdoor. Doordat er echter minder gebied werd veroverd, waren er ook minder slaven voorradig. Dit had tot gevolg dat kleinere stukken grond werden geëxploiteerd en grootgrondbezitters steeds onafhankelijker werden van Rome. De overheid kon het bestuur over het platteland niet meer belopen. De villa`s op het platteland werden bestuurlijke centra in een bepaald gebied.

Volksverhuizingen en de pest

Gedurende deze economische en sociale ontwikkelingen had het Romeinse Rijk ook nog te maken met het uitbreken van pestepidemieën. Dit verzwakte de economie nog verder. Steden slonken aanzienlijk en de handel werd kleinschaliger. De eerste grote epidemie vond plaats onder Marcus Aurelius (r. 161-180). Het wordt betwijfeld of het hier om echte pest ging, maar in elk geval stierf naar schatting zo`n tien procent van de inwoners van het rijk. Vooral onder de soldaten was het slachtofferaantal groot. Op den duur kon het leger Germaanse invallen niet weerstaan, waardoor de keizer zich gedwongen zag zelf het leger (succesvol) aan te voeren. Toch was de dreiging van de invallen van Germanen blijvend en steeds vaker werden de Romeinen gedwongen de Germanen  in grote aantallen op te nemen in het rijk. Deze foederati onderwierpen zich aan de Romeinse wetten. In ruil voor bescherming binnen het rijk leverden de foederati hulptroepen voor de legioenen waarmee deze voor een steeds groter gedeelte uit Germanen gingen bestaan.

Eind vierde eeuw echter, raakten de Hunnen (een Aziatisch ruitervolk uit de Mongoolse regionen) op drift. Ze joegen verschillende Germaanse volken op de vlucht, zoals de Visigoten bijvoorbeeld. Rome werd in 410 n. Chr. geplunderd door deze Visigoten, welke foederati werden na hun vlucht voor de Hunnen, en in 455 nogmaals door de Vandalen in 455 n. Chr. Het gebeuren bracht een geweldige schok teweeg in de oude wereldorde, Rome zag voor het eerst sinds de vierde eeuw v. Chr. vreemde troepen in de stad. De Hunnen overspoelden Europees grondgebied en namen zelfs Milaan en Ravenna in en bedreigden ook Rome. De laatste grote overwinning van de Romeinen vond plaats op de Catalaunische velden waar de Romeinse veldheer Aetius de Hunnen onder Atilla versloeg. De laatste Romeinse keizer, Romulus Augustulus, werd uiteindelijk in 476 afgezet door Odoaker, die daarmee de eerste barbaarse koning van Italië werd.

Complex

Zoals we op kunnen maken uit bovenstaande is de val van het West-Romeinse Rijk dus een complex geheel aan factoren over een langere periode die zorgen voor het einde van een periode van Romeinse heerschappij in het westen. Ziekte, hongersnood, de grootte van het rijk, de volksverhuizingen, de komst van het christendom en daarmee het pacifisme in het rijk, de opname van Germanen in het leger en hun groeiend belang in dat leger, ook op hoge plaatsen, de deling van het rijk, militaire nederlagen, goede keizers, slechte keizers, torenhoge belastingen welke niet langer zijn op te brengen, het gemis aan buit vanwege uitblijvende overwinningen, de-urbanisatie, burgeroorlog, wetgeving,  zovele oorzaken spelen een rol bij de desintegratie van het rijk, dat men bij het kiezen van een jaartal teneinde de uiteindelijke val een jaartal mee te geven heeft gekozen voor het jaar 475 n. Chr. om het maar enigszins te kunnen periodiseren, en men kijkt hierbij vooral naar een breuk met het verleden op institutioneel gebied. De Latijnse cultuur versmolt echter verder met de Germaanse, een proces dat eeuwen duren zou en tot op de dag van vandaag vind je om je heen elementen van beide.

 

 

 

Babyfabrieken in het Derde Rijk

 

R. Smienk en R. Willems

De taak van de vrouw in het Derde Rijk diende als voornaamste doel kinderen krijgen en deze opvoeden naar nationaal-socialistisch model. Voor zover er al sprake was van enige emancipatie voordat Adolf Hitler aan de macht kwam, werd deze vanaf 1933 rigoureus verder de kop ingedrukt. De kinderen van arische ouders vormden de toekomst van het Duitsland dat Hitler voor ogen had. Het krijgen van kinderen was daarom niet langer privé-aangelegenheid maar een staatszaak. Op allerlei manieren werd het volk dat paste binnen het Arische model aangezet tot het krijgen van zoveel mogelijk kinderen, teneinde de zogenaamde “noordelijke rassen”, te redden van de ondergang, gelet op de demografie. De dalende geboortetrend in Nazi-Duitsland was namelijk een bron van grote zorgen voor het Derde Rijk.

Himmlers ‘kindje”

Heinrich Himmler, de Reichsführer SS (Hoofd van de SS, de Schutzstaffel), bedacht een programma om kinderen met zuiver arisch bloed te kweken door SS-leden (die bij toetreding tot de SS al hadden bewezen te voldoen aan de gestelde criteria) te laten paren met vrouwen die ook voldeden aan de erfelijk-biologische rassencriteria die als volgt werden omschreven:

  1. De vrouw in kwestie moest het Groot-certificaat van afstamming kunnen overleggen, met gagarandeerde zuiverheid vanaf  het jaar 1800.
  2. Het overleggen van een gezondheidsverklaring met daarin opgesomd alle erfelijke afwijkingen.
  3. Rassenbeoordeling door (aanvankelijk enkel) een SS-arts
  4. Invullen van een vragenlijst omtrent beroep, partijlidmaatschap, huwelijksperspectieven en levenschronologie.
  5. Verklaring onder ede voor ongehuwden dat de vader van het kind, de biologische vader was.

Lebensborn

Het programma kreeg de naam Lebensborn en viel als onderafdeling onder de verantwoording van de SS. Hierdoor kon het programma een geheim karakter krijgen en werden ongehuwde, alleenstaande vrouwen ondergebracht in speciaal voor de bevalling ingerichte tehuizen. Vrouwen konden zich volledig anoniem aanmelden. Desgewenst kon een aanstaande Lebensborn-moeder bevallen ver van haar woonplaats verwijderd, zodat ongemakkelijke vragen van nieuwsgierigen niet aan de orde zouden komen. De vrouw had na bevalling een aantal opties: zij kon kiezen voor adoptie, voor een baan in het tehuis en dagopvang. Indien de vrouw in kwestie ongehuwd bleef nam Lebensborn de voogdij van het kind op zich. De medische zorg in Lebensbornhuizen was goed. Zo goed, dat vrouwen van SS-officieren graag bevielen in één van de tehuizen onder de Lebensbornvlag. Geboren kinderen kregen een rituele doop. Het ritueel hield dolkoplegging onder een hakenkruisvlag in. Aanvankelijk had het Lebensbornprogramma een enkel discriminerend karakter maar dat zou snel veranderen en dat is ook waarom het programma zo berucht is geworden. Het Lebensbornprogramma werd naast Das Ahnenerbe de meest belangrijke organisatie achter de SS-ideologie (onvoorwaardelijke trouw aan Hitler met nationaal-socialisme als centraal kader).

Stimulans

Jonge meisjes kregen op school te horen dat ze zo jong mogelijk moesten trouwen zodat ze zo snel mogelijk konden beginnen met het krijgen van kinderen. Jeugdorganisaties als de Hitlerjügend en Bund Deutscher Mädel speelden een centrale rol in deze naziopvoeding, wat meer weg had van hersenspoelen. In 1933 werd de ‘huwelijkslening’ ingevoerd. Pasgetrouwde stellen kregen 1000 rijksmark lening als de vrouw stopte met werken. 1000 rijksmark was een aanzienlijk bedrag in die tijd en stond voor de gemiddelde Duitser gelijk aan een klein jaar werken. Voor ieder kind dat het stel kreeg werd 25% van de lening kwijtgescholden. Het aantal stellen dat gebruik maakte van deze regeling steeg gestaag en in 1938 hadden ruim 1,1 miljoen Duitsers een ‘huwelijkslening’. Gevolg hiervan was, zoals ook de stimulans bedoeld was, een flinke toename in het aantal geboren kinderen. Naar schatting werden zo`n 8.000 kinderen geboren binnen het programma, waarvan de meeste kinderen buitenechtelijk werden verwekt en daar waar het de Duitse huizen betreft. In de Noorse Lebensborn-huizen werden naar schatting nog eens zo`n 9.000-12.000 kinderen geboren.

Onderscheidingen

Dat men in nazi-Duitsland gek was op het geven van onderscheidingen en medailles is bekend. Niet alleen militairen kwamen in aanmerking voor onderscheidingen. Ook voor burgers was het mogelijk voor zeer diverse zaken een medaille te ontvangen. Zo ook voor het krijgen van kinderen vanaf 1938. Voor moeders werd het ‘moederkruis’ in het leven geroepen. Een onderscheiding die werd uitgegeven in goud, zilver en brons. Brons was voor moeders die vier kinderen hadden gekregen, zilver voor zes kinderen en goud voor acht of meer kinderen. Moeders die deze onderscheiding kregen en droegen werden met respect behandeld en kregen bijvoorbeeld een gratis plek in het openbaar vervoer.

Criminalisatie van het programma

In de jaren na 1935 werden vele klinieken opgericht en leidden de doelstelling en organisatie van het Lebensbornprogramma van het begeleiden van moeders tot een ware babyfabriek. Kinderen werden na enkele maanden verbleven te hebben in de geboortekliniek, geadopteerd door arische nazi’s. Op deze manier wisten de nazi’s zeker dat het kind een goede opvoeding kreeg en voorbereid werd op een leven als “goede” nazi.

Maar de productie van kinderen onder de vlag van Lebensborn bleef achter bij de aantallen gesneuvelden die de oorlog het Derde Rijk reeds in de beginjaren van de oorlog kostte. Himmler gaf hierop zijn soldaten in bezet gebied opdracht om alle kinderen te ontvoeren die er ‘ook maar enigszins arisch uitzagen’ en hen over te dragen aan de Lebensborn stichting om opgevoed te worden naar arisch model. Hier ontstaat dan ook de beruchtheid van het programma. Kinderen werden ontvoerd uit Polen en Scandinavische landen, maar soms ook uit andere landen. Deze jonge kinderen werden onder valse voorwendselen weggevoerd, kregen een Duitse naam, werden verspreid over Lebensborn-tehuizen en mochten alleen nog maar Duits spreken. Soms werden kinderen letterlijk uit de armen van hun moeders gerukt omdat ze er arisch genoeg uitzagen. SS-troepen kregen bevel om zo veel mogelijk affaires aan te gaan met Noorse meisjes, om zo veel mogelijk kinderen te verwekken. Ieder lid van de SS diende een deel van zijn salaris af te staan aan het Lebensborn programma. Als je echter meer dan vier kinderen had verwekt (hierbij werd geen onderscheid gemaakt tussen echtelijke of buitenechtelijke verwekkingen), dan mocht je het salaris behouden. Schattingen over het aantal ontvoerde kinderen uit andere landen zijn moeilijk te ramen maar aantallen van honderdduizenden worden genoemd in meerdere bronnen. Meer informatie hierover vind je o.a. hier.

Mislukking

Lebensborn was gedoemd te mislukken vanwege het gebrek aan draagkracht. Draagkracht onder de Duitse bevolking, maar ook binnen de SS-gelederen zelf. Toen Himmler in 1939 het decreet uitvaardigde voor SS`ers zoveel mogelijk kinderen te verwekken – of dat nou binnen of buiten het huwlijk was –  lieten vele SS`ers hierop hun afkeuring blijken, ondanks de in het vooruitzicht gestelde geldelijke beloning. Ook de bevolking was niet klaar voor een arisch-georiënteerd fokprogramma en dat wisten de leiders. De aantallen geborenen konden het aantal slachtoffers aan het front niet bijbenen, en naarmate er meer aan dat front stierven werden ook de raszuiverhedencriteria meer en meer losgelaten. Daarnaast werd ook in Nazi-Duitsland met een verwijtend oog gekeken naar ongehuwde, zwangere vrouwen.

Nasleep

Na de oorlog werden vele archieven vernietigd waardoor veel kinderen voortgekomen uit het programma hun biologische ouders niet konden achterhalen. Veel kinderen leefden in schaamte vanwege hun geboorte middels het programma en in Duitsland was het thema decennialang een taboe. In Noorwegen werden kinderen geboren uit Lebensborn gezien en behandeld als uitschot en kregen soms geen fatsoenlijke opvoeding. Lebensborn werd na de oorlog al snel een door mythen omgeven onderwerp. Dat heeft te maken met het geheime kader onder de vlag van de SS van Lebensborn, met het taboe dat het er op rustte vanuit de politiek na de oorlog, maar vooral ook door de schaamte onder de slachtoffers van het programma, die in hun zoektocht naar erkenning hier pas sinds enkele decennia de aandacht voor vinden die zij, die 70 jaar na dato nog steeds kampen met de herinneringen, al veel eerder hadden moeten krijgen.

 

 

 

Paulus

Ruud Willems

Wereldreiziger

De vierdaagse van Nijmegen is weer achter de rug. Hierbij wandelen de fanatiekste deelnemers in 4 dagen meer dan 220 km. Niet slecht voor mensen die toch doorgaans tot andere vervoermiddelen gedwongen worden om naar hun werk te komen. Het wandelen is vandaag de dag tot een recreatieve bezigheid verworden. Hoe anders was dat in de tijd van de apostel Paulus, die toch wel hoog op het lijstje met reisrecords in een mensenleven moet staan als je leest waar de man in kwestie overal is geweest. In drie grote reizen heeft hij het christendom verspreid in diverse landen rondom de Middellandse Zee. Dat heeft deze reislustige discipel van Jezus zowel te voet, per schip en met behulp van de “bereidwillige” rug van menig lastdier volbracht. Het grootste deel zal Paulus echter te voet hebben afgelegd, omdat op andere wijze reizen prijzig was in die tijd. Het meeste wat we weten van Paulus valt op te maken uit de belangrijkste bron die men kan raadplegen over het leven van Paulus; het boek Handelingen uit het Nieuwe Testament. De man heeft tienduizenden kilometers gereisd om het evangelie te verspreiden onder potentiële bekeerlingen en mag daarmee met recht aanspraak maken op de titel “wereldreiziger”.

Visioen

Paulus was de zoon van een farizeeër. Farizeeërs vormden naast de sadduceeën en de essenen één van de drie belangrijkste stromingen binnen het jodendom. Paulus (of Saulus zoals hij toen nog heette), stond in die dagen bekend als een fervent vervolger van christenen, een ontluikende geloofsgroep na de dood van Jezus. Paulus maakte Jezus niet mee tijdens diens leven maar leerde hem, zoals hieronder zal blijken, op een andere manier kennen.

Aanzet tot bekering tot het christendom en daarmee zijn zendingsreizen, betrof een visioen dat Paulus  kreeg op het moment dat hij op weg was naar Damascus om jong-christenen te vervolgen, waarin Jezus voor hem verscheen en hem opdroeg zich te bekeren. In Damascus doopte men hem tot christen. Zijn positie was zowel onder joden als christenen echter niet onomstreden. De joden kregen een hekel aan hem omdat hij “kamp Jezus” had gekozen. Maar ook onder christenen was en is Paulus een omstreden figuur. Het debat over wie Paulus eigenlijk was en wat hij verkondigde laat verschillende interpretaties zien. Maar Paulus werd hoe dan ook  de meest fanatieke aanhanger van Jezus leer.

Reizen

Paulus, zoals hij na zijn doop in Damascus genoemd werd, ondernam zeker drie zendingsreizen om ongelovigen te winnen voor de leer van Jezus. Hieronder een kaart met daarop weergegeven zijn drie grote reizen.

Capture

 

 

 

 

 

 

 

Het voert te ver hier zijn reizen te verslaan maar Paulus is zonder twijfel van groot  belang geweest voor de verspreiding van het christendom in de landen rondom de (oostelijke) Middellandse Zee. Hij liet daarbij meer dan eens bijna het leven omdat hij lang niet overal “gewenst” was en tegen “heilige huisjes” aan schopte. Onder andere in Jeruzalem komt het tot conflicten met de joden die hem ervan betichtten een Griekse man de heilige tempel mee binnengenomen te hebben, daarmee heiligschennis plegende. Jeruzalem is in die tijd onderdeel van de Romeinse provincie Judea en Paulus wordt vanwege zijn omstreden uitspraken en preken verbannen naar Rome, om voor keizer Nero te verschijnen.

Eindstation

Paulus werd in gevangenschap per schip naar Rome gebracht. Paulus werd hier nog ruim twee jaar gevangen gehouden en verwierf er uiteindelijk het martelaarschap: Paulus werd veroordeeld en onthoofd. Maar pas nadat hij ook in gevangenschap velen die hem bezochten had bekeerd tot het christendom. De smeltkroes die Rome was bleek daarvoor uitermate geschikt. In de vierde eeuw werd op de plek waar de beenderen van Paulus gevonden zouden zijn een basiliek ter nagedachtenis gebouwd aan “De Apostel”. Deze kerk kennen we als de Sint Paulus buiten de muren”, ook vandaag nog een veelbezochte pelgrimskerk, en een bezoek zeer zeker waard.