History repeats itself

The Grapes of Wrath

In 1939 komt in Amerika “The Grapes of Wrath” van John Steinbeck uit. Het boek verhaalt over de Joads; een arm gezin uit de arbeidersklasse ten tijde van The Great Depression, de periode volgend op de beurskrach van 1929. Het boek wordt gezien als een van de grootste literaire stukken uit de Amerikaanse geschiedenis. Opeens was daar een schrijver welke een boek uitbracht en Amerika met de tekortkomingen van de samenleving confronteerde.

De Joads, bestaande uit vader en moeder en hun zes kinderen leven in Oklahoma, dat in de jaren `30 ook nog eens te kampen krijgt met de zogenaamde Dust Bowl (een fenomeen dat in de eerste pagina`s van het boek op prachtige wijze wordt neergezet door Steinbeck), stofstormen welke de vlakten teisteren en zorgen voor jaren zonder ook maar een enkele druppel regen. In de deze periode verlaten honderdduizenden noodgedwongen de staten Oklahoma, Kansas en Arkansas op zoek naar een beter leven in bijvoorbeeld California. Ook de familie Joad vertrekt. Oudste zoon Tom is net met proefverlof vrijgelaten uit de McAlester gevangenis. Hij heeft daar vastgezeten wegens doodslag.

Het immigratievraagstuk speelt in dit verhaal dan ook een prominente rol. In Californië zal alles beter zijn, zo heerst de hoop onder de duizenden die vertrekken, op zoek naar waardigheid, naar eten, maar vooral naar werk. En zoals zovelen zullen ook de Joads bedrogen uitkomen want de belofte van het beter bestaan blijkt grotendeels een illusie. Voor steeds lagere lonen moeten de nieuwkomers gaan werken om überhaupt te kunnen overleven, áls er al werk te vinden is.

Steinbeck beschrijft de reis van de Joads over de route `66 in hun oude Dodge vrachtwagen, dwars door de Rockies. Het laat de desolate situatie zien van landarbeiders die ondanks hun toch al karige en mensonterend harde bestaan en hun strijd te overleven, toch nog gedwongen worden huis en haard te verlaten. Maar het is ook het verhaal van moed, doorzettingsvermogen, het geloof in elkaar, maar bovenal de wil te overleven en dat alles vanuit een onbeschrijflijke liefde voor land dat bewerkt kan worden.

Een vrachtauto ontvlucht een zogenaamde ‘Dust Bowl”

Gemeenschappen onder de vluchtenden ontstaan vanzelf en er ontstaan als vanzelf nieuwe wetmatigheden. De scheidslijn tussen goed en kwaad in de strijd te overleven is dun, flinterdun zelfs. Het laat zien hoe geslachtofferde arbeiders, één in hun gezamenlijke lot, vanuit verbondenheid een collectieve wraaklust ontwikkelen. Het verhaalt echter bovenal over de menselijke waardigheid en de strijd van de duizenden werkeloze arbeiders ten tijde van The Great Depression.

The Great Depression

Hoe zat het ook alweer met die depressie? Wat is dat eigenlijk? Wat is het verschil tussen een recessie, de term die we momenteel bijna dagelijks horen, en een depressie? Binnen de economie wordt een recessie gedefinieerd als een staat van een economie waarbij het BBP van een land gedurende minimaal twee elkaar opvolgende trimesters is afgenomen. Een depressie heeft dezelfde kenmerken maar houdt langer aan en de gevolgen zijn ook erger. De economie staat nagenoeg stil, consumptie en daarmee productie vallen zogezegd bijna stil.

Een migrantengezin jaren `30 (photo: Dorothea Lange)

De depressie van de jaren dertig, is de laatste depressie die we in het westen eigenlijk nog kennen. Recessies zijn er echter vele geweest, denken we alleen al aan de recessies omtrent de oliecrisis in de jaren`70 van de vorige eeuw, de techbubbel aan het begin van deze eeuw en de huizen- en bankencrisis van 2008. Hieruit kunnen we afleiden dat een economische neergang gepaard gaat met een economische crisis; een gebeurtenis of een reeks van gebeurtenissen welke er toe leiden dat de economische neergang wordt ingeluid. Soms gaat een economische crisis gepaard met inflatieve omstandigheden, zoals stijgende inflatie, hyperinflatie of deflatie. Een inflatie is niets anders dan stijgende prijzen. Deze mag niet te snel en te hard stijgen omdat de loonontwikkeling het prijsniveau niet bijbeent waardoor mensen genoodzaakt zijn minder uit te geven wat vervolgens de economie niet stimuleert (productie) omdat mensen de hand op de knip moeten houden (erg actueel als je het mij vraagt). In het geval van een hyperinflatie stijgen de prijzen zo snel (je moet dan aan dagelijkse prijsstijgingen denken), welke voor paniek onder mensen zorgt. De run op de bank ontstaat omdat mensen hun geld snel in andere valuta of waardevaste goederen willen steken in de hoop nog wat te redden. Hyperinflatie kan onstaan doordat Centrale banken zoveel geld bijdrukken, en giraal wegwerken via het bankenstel daaronder, dat het niet meer in verhouding staat tot de verdiensten van een land, de schuldenberg kan niet meer worden afbetaald (ook erg actueel).

De beurskrach van 1929

Gedurende de Eerste Wereldoorlog kampte Europa met grote graantekorten als gevolg van het ontbreken van voldoende arbeiders in de agrarische sector, die zaten allemaal in de loopgraven van België en Frankrijk. Men vroeg de Amerikanen om hulp en die kreeg het ook. Het zorgde voor een immense productiegroei van de agrarische sector in Amerika. Nadat de vrede werd getekend viel de behoefte aan ondersteuning van over de plas snel weg en dit zorgde voor grote problemen onder de boeren in Amerika. Deze waren inmiddels ingericht op grotere productieaantallen dan wat er nu aan vraag nog over was. De prijzen daalden hierop waardoor men met een overgrote schuldenlast kwam te zitten. Vele lokale, op de agrarische tak gerichte, banken konden het niet meer aan en vielen om, waardoor de gelieerde grotere banken ook in de problemen kwamen, een crisis was geboren.

Arbeidsmigranten, begin jaren `30 (Photo: Dorothea Lange)

Daarnaast was door mechanisatie in de jaren `20 de productie wel gestegen, maar waren de lonen niet meegestegen, onder andere doordat vele overzeese arbeidsmigranten bereid waren voor veel lagere lonen te werken. Mensen konden vervolgens vanwege de lage lonen de dure producten afkomstig uit de fabrieken niet betalen waardoor er overproductie ontstond, ook hier dus.

Probleem hierbij was dat de overheid ten eerste het probleem en de omvang ervan pas veel te laat inzag. Ook kende de overheid het standpunt niet in te willen grijpen in de economie omdat het vond dat deze zelfregulerend moest zijn. Op de beurzen speculeerden velen met van de banken geleend geld. De ontwikkelen gingen nu dusdanig snel dat de redmiddelen niet meer ingezet konden worden door de instanties (rente- en loonkostendaling).

Er is ook een andere theorie die stelt dat de invoering van de Centrale Banken en het afstand doen van de macht over geldcreatie onder President Wilson ten gunste van de FED, geleid heeft tot de Grote Depressie. Dit zou komen door de excessieve geldcreatie door diezelfde FED, omdat het zou hebben geleid tot een kredietbubbel en daarmee de hoofdzaak zou hebben gevormd voor alle er op volgende problemen binnen de economie. Feit is inderdaad dat geldontwaarding ( de koopkracht van een individu) sinds de invoering van de centrale banken dramatisch is gedaald. Het geeft te denken in onze tijd waar we dagelijks te kampen hebben met de gevolgen de risico`s die de centrale banken met hun beleid voor ons nemen.

Op de 24e van oktober 1929 stortten de aandelenbeurs in en de effectenbeurs volgde vijf dagen later. Mensen trokken zo snel ze konden hun geld weg bij de banken maar voor velen was het al te laat en viel er niets meer te halen. Binnen een jaar tijd vielen ruim 700 banken in Amerika om. Sociale voorzieningen waren er niet voor de gedupeerden om aanspraak op te maken. De koopkracht viel in zijn totaliteit weg. Binnen een jaar ook was het BBP met maar liefst 40%. Binnen 4 jaar zat 1 op de 4 werkloos thuis, en de depressie zou een decennium duren, tot het moment waarop de Amerikaanse economie zich langzaam meer en meer te dienste ging stellen ten behoeve van de ontwikkelingen in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog.

Tegen die achtergrond en met de gevolgen van die gebeurtenissen kampend, vlucht de familie Joad de staat uit, op zoek naar een beter leven vanuit de hoop, ijdele hoop in dit geval.

John Steinbeck

Misschien wel de beste ridder ooit.

In de geschiedschrijving noemen historici William Marshal vaak als de beste ridder die ooit leefde. De succesvolle Engelse ridder en graaf van het graafschap Pembroke diende vijf koningen, won vele riddertoernooien en was de beschermheer van jonge koning Henry III. William speelde vanaf zijn jonge jaren tot aan zijn dood in 1219 een belangrijke rol in de Engelse geschiedenis. De vraag is echter of deze titel en de eer hiervan terecht aan William Marshal worden toegeschreven..

Want er is nóg een kandidaat die de titel ‘beste ridder ooit’ zou kunnen dragen. Een man van bescheiden afkomst die uitgroeide tot één van de belangrijkste ridders en legerleiders van het Franse leger tijdens de 100-jarige oorlog (1337-1453). Een legendarische ridder met de bijnaam ‘De arend van Brittannië’. Een man waarbij mythes en waarheden over zijn leven door elkaar lopen. Wat was dit voor een man en hoe verliep zijn leven? En verdient deze man de titel ‘de beste ridder ooit’ ten koste van William Marshal?

De zware jonge jaren van Bertrand.

Bertrand du Guesclin werd geboren omstreeks 1320 op landgoed Motte-Broons. Dit thans verdwenen landgoed lag in het noordwesten van Frankrijk, regio Bretagne. De familie du Guesclin was van lage adel en leende, zoals zo vaak gebeurde in de Middeleeuwen, het stuk grond waarop ze leefden. In diverse boeken wordt Bertrand beschreven als een ongeletterde, boerse en volgens sommige bronnen zelfs lelijke jongen. Een uit de kluiten gewassen lompe jongeman. Hoewel schoonheid een kwestie van smaak is, had Bertrand in zijn jeugd wel veel last van zijn voorkomen en uiterlijk. Zoals de kroniekschrijver Cuvelier schrijft: “Zijn vader en moeder haatten hem zo erg, dat ze diep in hun hart vaak wensten dat hij dood of verdronken was.” De verachting, vernedering en schijnbare onrechtvaardigheid waarmee hij zijn gehele kindertijd te kampen had gehad, uitte zich in ongehoorzaamheid, koppigheid en opstandigheid en in zijn vurige, ontembare karakter. Hij zou volgens sommige bronnen tijdens de banketten niet aan de grote tafel bij zijn ouders en broers mogen eten en moest aan de zijkant van de eetzaal plaatsnemen. Volgens andere bronnen zou hij zelfs verstoten zijn door zijn ouders vanwege zijn uiterlijk. Bewijs voor deze bewering heb ik nergens kunnen vinden. In ieder geval had hij een zeer zware jeugd en leek Bertrand du Guesclin in zijn jonge jaren in niets op de legende die hij ooit zou worden. Hoewel, vanaf negenjarige leeftijd organiseerde hij gevechten tussen jonge jongens op het landgoed van zijn vader. Hij gaf bevelen en liet de jongens deze direct opvolgen. Zijn vader, Robert, was hier niet blij mee en liet Bertrand zelfs enige tijd opsluiten. Misschien zag men hier wel voor het eerst tekenen van de legerleider die Bertrand ooit zou worden.

Beeld van Bertrand du Guesclin als kind.

Een dappere ridder staat op.

In 1337 nam Bertrand du Guesclin deel aan zijn eerste riddertoernooi. Hij was op dat moment 17 jaar oud. Omdat de vader van Bertrand weigerde geld uit te geven om voor zijn zoon een harnas en wapens te kopen, moest hij deze lenen van een ander familielid. Tijdens het toernooi in Rennes maakte hij, onherkenbaar door zijn geleende harnas en paard, indruk en wist hij menig spel te winnen. Zijn vader nam ook deel aan dit toernooi en daagde de onbekende strijder uit voor een gevecht. Volgens de overlevering zette Bertrand zijn helm af. Zijn vader zag hem en was blij verrast dat zijn zoon de onbekende ridder was, en bezwoer hem nooit meer zo slecht te behandelen.

Bertrand als ridder tijdens het toernooi in Rennes.

Bertrand als legerleider.

In ditzelfde jaar stierf de Franse koning en daarmee het koningshuis van de familie Capet. De machtsstrijd om de Franse kroon die daarop volgde noemen wij de 100-jarige oorlog. Du Guesclin was op dit moment net volwassen en hoopte dat hij een kans kreeg zich in deze oorlog te onderscheiden in gevechten. Dit lukte de eerste jaren van de oorlog niet echt. Bertrand nam geen deel aan de eerste grote veldslagen van de 100-jarige oorlog maar vocht slechts in kleine plaatselijke gevechten. Zijn machtspositie veranderde echter in 1353, het jaar dat zijn vader, Robert du Guesclin, overleed. Bertrand erfde het landgoed en een groot deel van het kapitaal van zijn vader. Volgens de overleveringen huurde hij een leger van ongeveer 60 ridders in met wie hij in de bossen van Bretagne gevechten leverde met Engelse soldaten. Hij gebruikte hier technieken die we tegenwoordig guerrilla-technieken zouden noemen. Snelle aanvallen, chaos scheppen en weer verdwijnen in de bossen. Hoewel het op deze manier vechten tegen alle ridderlijke waarden en regels inging, bleek het wel zeer effectief en ontwikkelde zich al snel mythevorming rond het huurlingenleger van Bertrand. De basis voor zijn bijnaam; ‘De arend van Brittannië’ was gelegd.

Bertrand op de leeftijd dat hij steeds meer macht en aanzien krijgt.

Officieel ridder.

Tijdens de 100-jarige oorlog streden er ook twee partijen om de macht in de provincie Bretagne. In deze mini-oorlog binnen de grotere oorlog koos du Guesclin de kant van de door de Franse koning gesteunde Charles du Blois. Toen de Engelsen in april 1354 het kasteel van Montmuran belegerden nam du Guesclin met zijn huurlingenleger deel aan het ontzetten van dit kasteel. De belegering werd opgeheven en het kasteel bleef Frans. Als beloning werd hij geridderd door de Franse koning. Hiermee nam zijn status enorm toe.

De rol van du Guesclin tijdens de 100-jarige oorlog.

De legende van Bertrand du Guesclin groeide de jaren daarna snel. Het hoogtepunt was het ontzetten van de stad Rennes tussen 1356 en 1357. Rennes nam een sleutelpositie in noord-Bretagne in en als die stad zou vallen was er voor de rest van Bretagne ook geen houden aan. Het bevel over de Engelse belegeraars van Rennes lag in handen van hertog Henri van Lancaster, een jongere broer van de Engelse koning. Door middel van het gebruiken van diplomatie, handige trucjes en goede tactieken bliezen de Engelsen na enkele maanden de aftocht, overtuigd dat een langere belegering niet zinvol is. Een voorbeeld van één van deze handigheidjes was het plan van du Guesclin om een aantal hooggeplaatste Engelsen uit te nodigen voor een diner in de stad. Officieel om met hen te kunnen onderhandelen, maar eigenlijk vooral om hen te laten zien dat het goed ging met de stad. Hoewel de belegering al enkele maanden duurde en het eten nagenoeg op was, werd het laatste eten gebruikt om een groots diner voor te kunnen zetten aan de Engelsen. Deze waren hierdoor overtuigd dat het eten in de stad nog lang niet op was en dat de belegering weinig zinvol was geweest. Hierna werd de belegering afgebroken en trokken de Engelsen zich terug.

In 1364 ging het voor de door Bertrand du Guesclin en Franse koning gesteunde Charles du Blois vreselijk mis. In de slag bij Auray werden ze verslagen door de Engelse legers. Du Blois kwam om in de strijd en du Guesclin moest zich overgeven. Hij werd gevangen genomen door de Engelsen. De Franse koning Karel V betaalde persoonlijk de 100,000 Franc losgeld om hem vrij te kopen. Dit zegt iets over de band die du Guesclin had met de Franse koning en hoe belangrijk hij was voor het Franse leger.

Koning Karel V (de wijze) van Frankrijk.

Voor het vaderland naar Spanje.

Tussen 1366 en 1370 stuurde de Franse koning Bertrand naar Spanje. Legers van Spaanse koninkrijkjes, Engeland en Frankrijk waren met elkaar slaags geraakt. Ook hier vocht Bertrand du Guesclin met een klein huurlingenleger namens Frankrijk tegen de Engelsen. Hoewel hij nog een keer krijgsgevangene werd gemaakt en wederom werd vrijgekocht door de Franse koning, wist hij er uiteindelijk voor te zorgen dat de Engelse troepen zich terugtrokken uit Spanje. Met de titel “Graaf van Molina” op zak keerde du Guesclin terug naar Frankrijk waar in de oorlog met Engeland een nieuwe hevige fase was aangebroken. 

Terug in Frankrijk.

Eenmaal terug in Frankrijk benoemde de Franse koning Karel V hem tot de belangrijkste militaire leider van het land. Er was regelmatig direct contact voor tactisch en strategisch overleg tussen de koning en du Guesclin. Bertrand du Guesclin was nu één van de machtigste mensen in Frankrijk. Omdat deze positie altijd werd gegeven aan iemand van hoge adel, was du Guesclin een uitzondering. Een enorme eer en verantwoordelijkheid. In de standenmaatschappij welke Frankrijk op dat moment had was het voor de adel van Frankrijk niet gemakkelijk te accepteren dat dit ambt bekleed werd door iemand van lage adel. Tijdens zijn tijd als militair leider had du Guesclin dan ook constant moeite de Franse adel onder controle te houden. Van een soepele samenwerking was nooit sprake. Dit ondanks het feit dat hij steeds weer bewees een briljant tacticus en legerleider te zijn. Zo veroverde hij de provincies Poitou, met als hoofdstad Poitiers en Saintonge, beide in het westen van Frankrijk. De Engelse legers werden hier zo verpletterend verslagen dat de Engelse prins Edward of Woodstock, ook wel de ‘Black Prince’ genoemd, zich terugtrok uit Frankrijk.  Betrand du Guesclin wist de Engelsen uit een groot deel van Frankrijk te jagen en liet de Franse marine zware aanvallen uitvoeren op de Engelse kust. De Fransen konden hierdoor steeds meer uit hun verdedigende posities komen en de Engelsen stad voor stad terugdringen.

Het laatste gevecht.

In 1373 boekte du Guesclin zijn laatste grote overwinning op de Engelsen. Dit was tijdens de slag om Chitzé. Deze stad, gelegen aan de westkust van Frankrijk, werd bezet door het Engelse leger. Du Guesclin liet zijn legers de stad belegeren. Toen de Engelsen een leger naar de stad stuurden om de belegering op te heffen werd dit leger door du Guesclin opgewacht en verslagen. Wederom maakt hij hier gebruik van zijn kenmerkende stijl en tactiek tijdens de gevechten. Hij vermeed een oorlog in open veld, en voerde verrassingsaanvallen uit om de vijand te verzwakken en vervolgens te verslaan. De stad werd ontzet en was weer onder Franse controle. Hiermee eindige de Engelse dominantie in het westen van Frankrijk.

Overlijden en begrafenis van du Guesclin.

Du Guesclin overleed na een kort ziekbed in 1380 tijdens het belegeren van de stad Châteauneuf-de-Randon, bij Mende in het Zuid-Franse Département Lozère. Hij werd 60 jaar oud. Na deelgenomen te hebben aan zeven grote veldslagen waarvan twee als leider van het Franse leger, was zijn veldtocht voorbij.

Rouw na het overlijden van Bertrand du Guesclin.

Volgens zijn wens werd zijn gebalsemde lichaam overgebracht naar Dinan in de provincie Bretagne. In de zuid-Franse stad Le Puy werd zijn lichaam gebalsemd. De ingewanden van du Guesclin werden bijgezet in de plaatselijke kerk. De rouwstoet trok verder in noordelijke richting. Een aantal dagen later bleek dat de balseming niet goed was gelukt. Het lichaam begon te ontbinden. Het vlees werd van de botten gescheiden om verdere ontbinding te voorkomen. Het lichaamsvlees van du Guesclin werd begraven in Clermont-Ferrand. De rouwstoet trok verder noordwaarts met het skelet en het hart. Vlakbij Parijs bracht een officier het koninklijk bevel dat het lichaam van du Guesclin in Saint Denis, een buitenwijk van Parijs, moest worden begraven en niet in Dinan zoals hij zelf wilde. Zijn overblijfselen werden hier dan ook begraven. Het hart ging terug naar Dinan, de plek waar du Guesclin vandaan kwam en veel van zijn gevechten had uitgevochten. Hij was thuis. Zijn tactieken werden door de Franse legers nog eeuwenlang gebruikt, zo zou ook Jeanne d’Arc de guerrillatactieken van Bertrand du Guesclin hebben gebruikt.

Misschien wel de beste ridder ooit?!

Du Guesclin groeide uit van een jongen die zelfs door zijn ouders minacht werd tot de legerleider van Frankrijk. Een winnaar van riddertoernooien, briljant strateeg en vertrouweling van de Franse koning. Ondanks alle tegenslagen wist hij zijn stempel te drukken op de 100-jarige oorlog. Op de vraag of hij ten koste van William Marshal de betere ridder is verschillen de meningen (hoe kan het ook anders). Ook het palmares van William Marshal is imposant, vooral ook als het gaat om behaalde overwinningen in toernooigevechten. Buiten kijf staat dat het twee uitmuntende ridders zijn geweest.

Het gezicht van Bertrand zoals in steen te zien is op zijn grafmonument in Dinan.



75 jaar Market Garden (september 1944 – september 2019).

In september herdachten we 75 jaar operatie Market Garden. In een poging de tweede wereldoorlog voor de winter van 1944 te beëindigen probeerden de geallieerden via Nederland het Duitse Ruhrgebied te bereiken. Deze operatie bleek een brug te ver. De brug over de Rijn in Arnhem kon niet lang genoeg in handen gehouden worden door de dappere Engelse soldaten. Hierdoor bleef het noorden van Nederland bezet en kwamen vele duizenden burgers om tijdens de hongerwinter.

Vele tienduizenden bezoekers hebben de afgelopen maand op verschillende plekken in Nederland deze grootste luchtlandingsoperatie ooit herdacht. “We will remember them.”

“For the Fallen” is een gedicht geschreven door Laurence Binyon. De “Ode of Remembrance” is een ode uit het gedicht. Dit was afgelopen september bij iedere herdenkingsceremonie te horen.