Der Deutsche Herbst

 

 

rote_armee_fraktion_opgeheven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De jonge West-Duitse democratie werd eind jaren `70 zwaar op de proef gesteld. Een nieuw radicaal-linkse organisatie schrok de burgermaatschappij op met een reeks bloedige aanslagen die tot in de jaren `90 van de vorige eeuw zouden voortduren.

Woelige jaren `50 en `60

De jaren `50 en `60 op het wereldtoneel zijn woelig te noemen. Oude koloniale rijken, voor zover ze niet al gevallen waren, stonden op het punt in te storten. De Koude Oorlog was een pijnlijke realiteit geworden met eerst oorlog in Korea, en later Vietnam, en in Zuid -Amerika werd een guerrilla-oorlog gevoerd tegen corrupte regimes. Israël was in oorlog met de haar omringende landen en in Duitsland stond een jonge generatie op tegen de gevestigde orde. In Duitsland werd binnen de regering de dienst uitgemaakt door politici die conservatief waren, politici die vaak zelfs deel uit hadden gemaakt van het Nazi-regime; de Neurenberg processen waren in dat opzicht zeker niet feilloos geweest. De jeugd wilde af van dat oude en conservatieve machtssysteem waarin bovendien dus veel oudgedienden uit de oorlog de dienst uitmaakten. Daarnaast verzette men zich tegen de symbolen van de democratische systemen die oorlog voerden in Vietnam of die oorlog in elk geval, al dan niet louter moreel, steunden. Er hing een sfeer van opstand en revolutie in de straten van de Bondsrepubliek. Ouders kregen de vraag van hun kinderen voorgeschoteld wat zij precies hadden gedaan in de oorlog. Je zou kunnen denken dat het ontstaan van zo`n krachtige tegenbeweging van deze jongeren tegen de gevestigde orde een reactie van schuldbewustzijn t.a.v. de Nazi-tijd met terugwerkende kracht was.

Veel studenten wilden gewoon meer zeggenschap op de universiteiten. Maar een deel wilde ook meer. Er ontstonden groepjes neo-marxisten en anti-kapitalisten die uitgingen van de noodzaak van een politiek-radicalisme tegen burgerlijk-maatschappelijke waarden van een oudere generatie, de consumptiemaatschappij en de staat an sich. Met hun acties wilden ze er voor zorgen dat het westerse imperialisme aan het wankelen zou worden gebracht, dat was althans de insteek, een revolutie was nodig. Dat bij deze revolutie, en het geweld dat daarmee gepaard zou gaan, ook daadwerkelijk doden zouden gaan vallen, was tot de groeperingen die ontstonden nog niet doorgedrongen.

Het begin..

De eerste wapenfeiten tegen symbolen van het kapitalisme werden gepleegd door een zekere Andreas Baader en zijn compagnon, Gudrun Ensslin. Ze stichtten een tweetal branden in bekende warenhuizen in Frankfurt. Redelijk onschuldig nog. Er vielen nog geen doden, maar dat zou snel veranderen. Men kon al snel enkel nog oppositie voeren door ondergronds te gaan, clandestien; de politie was al waakzaam. Baader werd gearresteerd, maar kon dankzij hulp van Ensslin en een linkse journaliste genaamd Ulrike Meinhof in 1970 ontsnappen uit gevangenschap (inmiddels had zich een groep sympathisanten geschaard rond de twee die wisten te regelen dat Baader een bibliotheek mocht bezoeken in het plaatsje Dahlem, waar ze hem wisten te bevrijden). Baader, Ennslin, Meinhof en het groepje getrouwen waren op dat moment al geradicaliseerd en vol overtuiging dat enkel de gewapende strijd tegen de gevestigde orde uitkomst kon bieden. De Rote Armee Fraktion zag het levenslicht en groeide al snel uit tot een beweging van geoefende stadsguerillas.

Eerste generatie

Deze groep vormde de eerste generatie binnen de RAF en pleegde verscheidene overvallen op banken waarbij grote sommen geld werden buitgemaakt. Ook aanvallen op de politie en Amerikaanse soldaten gelegerd in Duitsland volgden. Ze kregen zelfs training in Palestina van terroristen en werden gesteund door communistische regimes. Er ontstonden banden met de STASI in de DDR en men kon ineens, mede door die banden, gewapende strijd gaan voeren. Het hoofdkwartier van de RAF werd echter na een tip ontdekt door de polizei en de groep werd grotendeels gearresteerd. Baader en Meinhof ontsprongen de dans en er ontstonden apart van elkaar nieuwe groepen rondom beiden. Intussen werd duidelijk dat de meute de acties begon af te keuren en het politieapparaat werkte beter, intensiever in hun zoektocht naar de RAF-leden. In 1972 viel het doek voor Baader, Ennslin, Horst Mahler, Ulrike Meinhof en Jan-Carl Raspe met nog een aantal anderen van het eerste uur, toen zij gearresteerd werden in juni van dat jaar bij verschillende acties. Ze werden later tot levenslange gevangenisstraffen veroordeeld. Vanwege hun potentieel gevaar voor de samenleving werden zij bewaakt in extra beveiligde gevangenissen. Ondanks pogingen van de tweede generatie RAF-leden hen te bevrijden, bleven ze vastzitten en verschillende leden zouden zelfmoord gepleegd hebben. “Zouden”, want de zelfmoord van verschillende RAF-leden in de gevangenis is onderwerp van discussie. De overheid zou ze laten hebben vermoorden volgens een van de weinige overlevenden van die eerste generatie, Irmgard Möller.

Der Deutsche Herbst

Op 30 juli 1977 werd de directeur van de Dresdner Bank, Jurgen Ponto, tijdens een ontvoeringspoging doodgeschoten en Hans Martin Schleyer ontvoerd en uiteindelijk ook vermoord (manager en econoom, tevens ex-lid van de SS en ultra-rechts ondernemer na de oorlog), teneinde de druk op de regering tot vrijlating van de mitglieder op te voeren. Op 18 oktober 1977 overleden Baader, Ennslin en Raspe (Meinhof was in 1976 al door zelfmoord om het leven gekomen in haar cel) in hun cel, enkele uren na een mislukte gijzelingsactie van een met de RAF sympathiserende Palestijnse terreurcel op een Lufthansa-vliegtuig, waarbij de gezagvoerder omkwam, maar de GSG9 uiteindelijk erger wist te voorkomen. Doel van die actie was de druk op de regering nog verder op te voeren de gevangenen vrij te laten. Zelfmoord als doodsoorzaak was ook hier de officiële lezing van de Bundesregerierung. Al deze gebeurtenissen leidden tot grote onrust in de herfst van 1977 in West-Duitsland, bekend geraakt onder de noemer; “Der Deutsche Herbst”. De balans van de Deutsche hefst kon opgemaakt worden na de Todesnacht op 18 oktober; 47 doden, waarvan 17 RAF-leden, waren te betreuren.

schleyer-auto-lijk

De auto waarin het lijk van Schleyer werd gevonden

Verdere generaties (twee en drie)

In mei 1978 verkeerde de organisatie van de RAF in een impasse, nagenoeg de hele leiding werd opgepakt in Zagreb en Der Deutsche Herbst zag men als een grote nederlaag voor diezelfde RAF. Ze werden echter door de Joegoslavische autoriteiten weer vrijgelaten en men kon weer verder. Hoofddoel van deze tweede generatie was vastzittende leden vrij te krijgen uit de gevangenis. Het gevangenisleven voor de RAF-leden was naar de maatstaven van de jaren `70 volgens de RAF-leden zelf, zwaar te noemen. De RAF voerde een propagandaoorlog door te wijzen op de strenge maatregelen t.a.v. RAF-leden die vastzaten, daarmee de idee scheppende dat in Duitsland het fascisme nog steeds de heersende macht was. De tweede generatie zorgde ook voor een indrukwekkend palmares van geweld. Zo vonden er verschillende schietpartijen in o.a. Nederland plaats (Kerkrade, Den Haag, Amsterdam) tussen zich hier schuilhoudende RAF-leden en politie. Ook werd een moordaanslag op opperbevelhebber van de NAVO Alexander Haig beraamd. Gedurende vier nachten werd een tunnel gegraven onder een brug waarin 20kg Semtex geplaatst kon worden, op de route lag waarlangs Haig zou passeren op diens weg naar het NAVO-hoofdkwartier in Casteau. Door een verkeerde verkeerde timing ontplofte de bom te laat en Haig raakte slechts lichtgewond.

De periode van 1980 tot 1990 liet echter een derde generatie RAF zien, welke in deze periode verantwoordelijk was voor tien moorden, en vele gewonden. In de jaren `90 werden er nog verschillende overvallen gepleegd op banken in Duitsland en in 1993 werd een gevangenis in aanbouw opgeblazen met 200 kg springstof in een plaats bij Frankfurt, Weiterstadt. Vijf jaren later hief de RAF zich op. Het bleef stil rondom de organisatie tot vorig jaar, toen twee mislukte overvallen in Duitsland naar sporen van een drietal als RAF-lid bekend taande personen leidden. Op 6 juni van dat jaar werd o.a. bij het plaatsje Stuhr, net onder Bremen, een geldwagen klemgereden. De geldwagen werd beschoten met een kalashnikov maar de wagen ging automatisch op slot waardoor geen geld buitgemaakt kon worden. Het drietal dat wordt gezocht wordt ook verdacht van de aanslag op de gevangenis bij Weiterstadt en is vuurwapen gevaarlijk. Naar alle waarschijnlijkheid verblijven zij ergens in Nederland.

 

 

 

De val van het West-Romeinse Rijk

Val van het West-Romeinse rijk

visigoths_sack_rome

De plundering van Rome door de Visigoten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

door: Ruud Willems

Een van de meest besproken onderwerpen met betrekking tot het dateren van het einde van de oudheid en het begin van de middeleeuwen, is de val van het West-Romeinse Rijk. West-Romeins inderdaad, het grote Romeinse Rijk raakte verdeeld, waarbij het Oost-Romeinse Rijk niet ophield te bestaan voordat het zijn neergang aan het einde van de middeleeuwen kende, wat daarmee weer wordt gezien als een eindpunt van de middeleeuwen en overgang naar de Renaissance. Eén gebeurtenis is echter zelden solo verantwoordelijk voor het einde van een tijdperk. Vaak gaat het hierbij om een reeks gebeurtenissen die over een langere periode leiden tot een kentering van het bestaande.

Zo zou men niet alleen het jaar 476 n. Chr. (Val van het West-Romeinse Rijk waarbij de laatste keizer, Romulus Augustulus wordt afgezet door Odoaker, aanvoerder van Germaanse huurlingen binnen het Romeinse leger) kunnen aanduiden als einde van de oudheid en begin van de middeleeuwen. Men zou net zo goed andere gebeurtenissen kunnen noemen, zoals de plunderingen van Rome in 410 n. Chr en 455 n.Chr. door resp. de Visigoten en de Vandalen, Germaanse stammen op drift geraakt door de komst van de Hunnen in Europa. De vierde eeuw kenmerkte een Romeins Rijk dat zich gedwongen zag Germanen als foederati op te nemen, ingezetenen zonder burgerrecht, maar gedwongen tot (militaire) hulpverlening in ruil voor bescherming en opname binnen de rijksgrenzen. Hiermee trad verder verval in. Het plaatje van de moeilijkheid één gebeurtenis verantwoordelijk te laten worden voor einde en begin van een periode wordt zo snel duidelijk. Hiermee blijft ook de discussie waar de oudheid te laten eindigen, en de middeleeuwen te laten beginnen levendig binnen de geschiedvorsing. Het hangt er van af waar je naar kijkt. De traditie houdt echter 476. n. Chr. aan als overgang, men moet het toch op één of andere manier een jaartal meegeven, dat is handig voor de mensen. Het duiden van de val van het West-Romeinse rijk is echter allesbehalve een makkelijke kwestie, omdat het hier gaat om verschillende aspecten die uiteindelijk zullen leiden tot haar einde. 

Het Christendom

Na de dood van Jezus trokken zijn apostelen er op uit om de leer van Jezus te verkondigen. Eén van de apostelen die hierin het meest fanatiek was, is Paulus geweest, over wie ik eerder heb geschreven. Paulus trok ook naar Rome om daar het christendom te brengen en verwierf er uiteindelijk het martelaarschap. Het christendom was en is in beginsel een pacifistische religie, de Romeinen hadden daarentegen een oorlogsgod, Mars. Daarnaast was het christelijke geloof vooral ook een monotheïstische religie. En dat was in het Romeinse Rijk een probleem, want de Romeinse staatsreligie hing vele goden aan. Van de Romeinen kan gezegd worden dat ze redelijk tolerant tegenover andere religies en gedachtegoed stonden, tenzij men zich geheel onthield aan de Romeinse cultus, welke polytheïstisch van aard was. Christenen werden dan ook, zoals ook de Joden eerder hadden ondervonden tot zij in de eerste eeuw werden erkend door de Romeinse keizer(s), als een gevaar gezien voor de eenheid van de staat. Zij zouden slecht voor de handel zijn want zij joegen de kooplui bij tempels weg waar zij konden. Ook volgden de Romeinen de rituelen van de christenen met argusogen, ze werden gezien als kannibalen want zij aten het vlees en bloed van Christus. Hierdoor werden zij met enige regelmaat blootgesteld aan vervolgingen. Voorbeelden hiervan vinden we in alle drie de eeuwen; in de eerste eeuw bijvoorbeeld door Nero, die christenen bijvoorbeeld gebruikte als fakkels langs de weg, in de tweede onder Marcus Aurelius (177) en in de derde en vierde respectievelijk onder Decius (250), Valerianus(257) en Diocletianus (303). De vervolgingen hielden pas op met het Edict van Milaan in 313, waarbij de religie officieel werd toegestaan binnen het rijk en burgers het recht kregen op vrijheid van godsdienst. Hierdoor kon de aanhang onder de christenen sterk groeien. Steeds meer mensen binnen het rijk werden volger van het christelijk geloof, ook soldaten. Zij kwamen echter in het gedrang met hun geloof en hun professie, omdat deze twee lastig te verenigen waren. Vaak wordt dan ook door historici aangehaald dat met de komst van christendom gaandeweg de militaire slagkracht verder werd ondermijnd.

kristne1-aygmnndforikq9-weqf64g

Christenen worden ter vermaak afgeslacht voor de ogen van een doldriest publiek. Bron: Historia.nl

Tanende macht

Het Romeinse rijk bereikte haar hoogtepunt aan het begin van de derde eeuw (202 n. Chr.) onder keizer Septimius Severus, die met de verovering van Mesopotamië een enorm gebied inlijfde bij het toch al aanzienlijke rijk. Vaak wordt gedacht dat de grootste omvang werd bereikt onder Trajanus, maar dit klopt niet omdat deze zijn gezag in het zelfde gebied niet definitief kon vestigen, hoewel hij er succesvolle invallen pleegde, zo geeft J. Lendering aan in een boekrecensie op zijn weblog Mainzer Beobachter over Maarten van Rossems boek “Het einde van het Romeinse Rijk”. Maar ook hier gold: hoe groter een rijk, hoe lastiger te managen. Een groter rijk heeft meer grenskilometers en meer soldaten nodig en dus meer soldij. Dat betekent verhoging van belastingen. Er konden vanwege de roep om een groter leger ook niet langer louter Romeinse burgers worden geworven voor de krijgsdienst. Steeds vaker waren dit foederati of krijgsgevangen. Verder kenmerkte een groot gedeelte van de derde eeuw zich door interne chaos en burgeroorlogen binnen het rijk. De periode is in de geschiedenis bekend als de crisis van de derde eeuw en de heerschappij van elkaar beconcurrerende soldatenkeizers. Soldaten wezen hun aanvoerder vaak aan in de hoop dat er dan meer soldij zou volgen. Vanwege de interne strijd kwam er veel minder buit binnen dan voorheen. Tot overmaat van ramp werd ook de druk van diverse stammen op de buitengrenzen werd steeds groter. In de Parthen vonden de Romeinen aan hun oostgrenzen een tegenstander om rekening mee te houden. Ze leden een aantal grote nederlagen tegen de Parthen (leefgebied grotendeels hedendaags Iran) tussen het midden van de eerste eeuw v. Chr. en het begin van de derde eeuw n. Chr. en later door toedoen van de opvolgers der Parthen; het Sassanidische Rijk. Ook in het westen werden invallen van barbaren frequenter en heviger. De Germanen klonterden steeds beter en vaker samen in georganiseerde (stammen)verbonden in de strijd tegen de Romeinen. Zij hadden dikwijls al in de gelederen van de Romeinen gevochten en zetten hun opgedane krijgskennis nu in tegen hun oude broodheer. De keizer zocht zijn heil in versterking van het leger om de vele vijanden beter het hoofd te kunnen bieden, maar meer troepen betekende meer uitgaven. Het gehalte zilver in een munt werd drastisch minder om alles te kunnen blijven bekostigen. Als gevolg van muntdevaluaties en het wegtrekken van mensen uit zowel de steden als de grensgebieden, klapte de economie in elkaar in het westen. Pas met de komst van keizer Diocletianus  kwam er weer enigszins rust in het rijk.

Kaart Rijk

Romeinse rijk rond 117 A.D.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deling van het rijk

Zowel Diocletianus als Constantijn hebben diverse hervormingen doorgevoerd in hun pogingen het rijk verder te herstellen. Zowel op bestuurlijk gebied (uitbreiding van het ambtenarenapparaat), economisch gebied, (prijzen voor goederen werden gecontroleerd) alsmede de daadwerkelijke deling van de macht (Tetrarchie). Hierdoor was Rome niet langer hoofdzetel van de macht. In 285 n. Chr. werd het Romeinse Rijk administratief in tweeën gesplitst. Voortaan zou er een westelijk deel en een oostelijk deel bestaan. Deze verdeling noemt men de tetrarchie, waarbij Diocletianus, keizer op dat moment, een medekeizer en twee onderkeizers aanstelde. Men hoopte dat men, door het rijk op te delen, aanvallen van verschillende kanten beter te kunnen pareren. Uiteindelijk kregen de keizers onderling herrie om de opvolging waaruit Constantijn de Grote als overwinnaar uit de strijd kwam nadat hij aan de vooravond van een beslissende slag tegen zijn grootste vijand een visioen had gehad van het christelijk kruis, dat hem de overwinning zou bezorgen. Constantijn overwon inderdaad en werd hierna de eerste christelijke keizer van het rijk. Constantijn verplaatste zijn regeringszetel naar het rijkere Constantinopel (later Byzantium). Na de dood van Theodosius de Grote (395), die de Visigoten onder Alarik I moest toelaten binnen de grenzen van het rijk, volgde een definitieve deling tussen Oost en West. Legers van beide rijken steunden elkaar niet langer in militaire campagnes, wat zorgde voor een verdere verzwakking op militair gebied.

romeinse-rijk-diocletianus

De Tetrarchie rond 230 n.Chr. Bron: Historiek.net

Belastingen

Vanwege de vele (burger) oorlogen binnen het rijk werden ingezetenen opgezadeld met steeds hogere belastingen. Die kon door de ruggengraat van de economie, de vrije pachtboeren (coloni), niet meer worden opgebracht. Vele boeren verlieten hun landerijen noodgedwongen in de hoop op een beter bestaan. Hierdoor ontstond er minder landbouwproductie; grote stukken akkerland bleef onbewerkt achter. Afzetmarkten werden kleiner. Men trachtte het tij te keren door het beroep erfelijk te maken en aan de grond gebonden, zodat de grote uittocht van het platteland zou worden gestopt. De verlaten stukken grond werden veelal in beslag genomen door grootgrondbezitters die er slaven te werk stelden. De grootgrondbezitters werden op den duur heer van zowel coloni (vrije pachtboeren) als slaven. Het lijfeigenschap (horigheid) ontstond hierdoor. Doordat er echter minder gebied werd veroverd, waren er ook minder slaven voorradig. Dit had tot gevolg dat kleinere stukken grond werden geëxploiteerd en grootgrondbezitters steeds onafhankelijker werden van Rome. De overheid kon het bestuur over het platteland niet meer belopen. De villa`s op het platteland werden bestuurlijke centra in een bepaald gebied.

Volksverhuizingen en de pest

Gedurende deze economische en sociale ontwikkelingen had het Romeinse Rijk ook nog te maken met het uitbreken van pestepidemieën. Dit verzwakte de economie nog verder. Steden slonken aanzienlijk en de handel werd kleinschaliger. De eerste grote epidemie vond plaats onder Marcus Aurelius (r. 161-180). Het wordt betwijfeld of het hier om echte pest ging, maar in elk geval stierf naar schatting zo`n tien procent van de inwoners van het rijk. Vooral onder de soldaten was het slachtofferaantal groot. Op den duur kon het leger Germaanse invallen niet weerstaan, waardoor de keizer zich gedwongen zag zelf het leger (succesvol) aan te voeren. Toch was de dreiging van de invallen van Germanen blijvend en steeds vaker werden de Romeinen gedwongen de Germanen  in grote aantallen op te nemen in het rijk. Deze foederati onderwierpen zich aan de Romeinse wetten. In ruil voor bescherming binnen het rijk leverden de foederati hulptroepen voor de legioenen waarmee deze voor een steeds groter gedeelte uit Germanen gingen bestaan.

Eind vierde eeuw echter, raakten de Hunnen (een Aziatisch ruitervolk uit de Mongoolse regionen) op drift. Ze joegen verschillende Germaanse volken op de vlucht, zoals de Visigoten bijvoorbeeld. Rome werd in 410 n. Chr. geplunderd door deze Visigoten, welke foederati werden na hun vlucht voor de Hunnen, en in 455 nogmaals door de Vandalen in 455 n. Chr. Het gebeuren bracht een geweldige schok teweeg in de oude wereldorde, Rome zag voor het eerst sinds de vierde eeuw v. Chr. vreemde troepen in de stad. De Hunnen overspoelden Europees grondgebied en namen zelfs Milaan en Ravenna in en bedreigden ook Rome. De laatste grote overwinning van de Romeinen vond plaats op de Catalaunische velden waar de Romeinse veldheer Aetius de Hunnen onder Atilla versloeg. De laatste Romeinse keizer, Romulus Augustulus, werd uiteindelijk in 476 afgezet door Odoaker, die daarmee de eerste barbaarse koning van Italië werd.

Complex

Zoals we op kunnen maken uit bovenstaande is de val van het West-Romeinse Rijk dus een complex geheel aan factoren over een langere periode die zorgen voor het einde van een periode van Romeinse heerschappij in het westen. Ziekte, hongersnood, de grootte van het rijk, de volksverhuizingen, de komst van het christendom en daarmee het pacifisme in het rijk, de opname van Germanen in het leger en hun groeiend belang in dat leger, ook op hoge plaatsen, de deling van het rijk, militaire nederlagen, goede keizers, slechte keizers, torenhoge belastingen welke niet langer zijn op te brengen, het gemis aan buit vanwege uitblijvende overwinningen, de-urbanisatie, burgeroorlog, wetgeving,  zovele oorzaken spelen een rol bij de desintegratie van het rijk, dat men bij het kiezen van een jaartal teneinde de uiteindelijke val een jaartal mee te geven heeft gekozen voor het jaar 475 n. Chr. om het maar enigszins te kunnen periodiseren, en men kijkt hierbij vooral naar een breuk met het verleden op institutioneel gebied. De Latijnse cultuur versmolt echter verder met de Germaanse, een proces dat eeuwen duren zou en tot op de dag van vandaag vind je om je heen elementen van beide.